ATLANTIC SEABIRDS

Contents and abstracts issue 3(4) published December 2001

 

Selected papers from the 7th Seabird Group Conference 2000, Wilhelmshaven, Germany

Guest editor: Peter Becker (Wilhelmshaven)

 Titels, abstracts en Nederlandse samenvattingen

Cadiou B. 2001. The breeding biology of the European Storm-petrel Hydrobates pelagicus in Brittany, France. Atlantic Seabirds 3(4): 149-164.

In recent years (1996-1999), data have been collected on European Storm-petrel Hydrobates pelagicus colonies on the coast of Brittany, France, in order to investigate various breeding parameters, especially laying period, hatching success and breeding success. Data were obtained by regular examination of breeding sites and by estimating chick age at the time of ringing. Adults first returned to colonies in March or April. The laying period extended from the end of April to the beginning of August and showed high annual variability, with the date by which 50% of eggs had been laid ranging from mid May to early July. Annual variability in the timing of laying was probably due to variations in oceanographic conditions and food resources just before laying and had important implications for accurate censuses of breeding colonies. Data obtained from single visits at the same time in different years should be interpreted carefully, especially when using tape-playback methods only, as the proportion of attended nest sites may vary according to the interannual variation in the timing of laying. Estimates of hatching and breeding success were about 65% to 95% (over three years) and 0.53 (one year) respectively. The first chicks fledged in mid August, whereas the latest fledged in late October, or even sometimes November.

Bretagne Vivante-SEPNB, 186 rue Anatole France, BP 32, F-29276 BREST cedex, France; E-mail: conservation@bretagne-vivante.asso.fr

Broedbiologie van Stormvogeltjes Hydrobates pelagicus in Bretagne, Frankrijk De afgelopen jaren (1996-99), zijn er gegevens verzameld over de broedbiologie van Stormvogeltjes Hydrobates pelagicus in kolonies langs de Bretonse kust in Frankrijk. De belangrijkste onderzochte aspecten waren legdatum, uitkomstsucces en uitvliegsucces. De gegevens werden verzameld door regelmatige controles van bezette holen en door het schatten van de kuikenleeftijd tegen de tijd dat de vogels geringd konden worden. De broedvogels keerden in maart of april op de nestplaatsen terug. De periode van ei-leg strekte zich uit van eind april tot begin augustus (!) en het tijdstip verschilde sterk van jaar tot jaar (mediaan medio mei tot begin juli). Deze jaarlijkse verschillen werden vermoedelijk veroorzaakt door oceanografische fluctuaties en schommelingen in het voedselaanbod kort voor de eileg. Het hoeft geen betoog dat dermate grote verschillen in het tidjstip van leggen (en de daarmee samenhangende aanwezigheid van broedvogels op de kolonie) belangrijke implicaties had voor de onderzoekers. Gegegevens die gebaseerd worden op een enkel koloniebezoek moeten met grote terughoudendheid worden geïnterpreteerd, vooral wanneer alleen bandrecorders gebruikt worden om de populatie-omvang vast te stellen, omdat het percentage bezette nesten bij uitgestelde eileg buitengewoon laag kan zijn. Schattingen van het uitkomst- en uitvliegsucces schommelden bedroegen respectievelijk 65%-95% (over drie jaren) en 0.53 (één jaar) respectively. De eerste jongen vlogen medio augustus uit, de laatste eind oktober of soms zelfs pas in november.

Langseth I., B. Moe & C. Bech 2001. Reduction in body mass and basal metabolic rate in breeding female kittiwakes Rissa tridactyla: An adaptation to reduce maintenance costs? Atlantic Seabirds 3(4): 165-178.

We studied changes in body mass and basal metabolic rates (BMR) in breeding female Kittiwakes Rissa tridactyla on Svalbard (79°N, 12°E) in 1997 and 1998. Measurements of body masses and BMR were obtained two weeks before hatching, at hatching, early in the chick-rearing period and late in the chick-rearing period. During incubation, body mass and mass specific BMR remained relatively stable. From hatching to late chick-rearing, body mass and mass specific BMR decreased by 12% and 26% respectively. However, from about two weeks up to about four weeks into the chick-rearing period, body mass and BMR did not change significantly. Whole body BMR scales with body mass2.18. This exponent is greater than that expected for a homomorphic variation in BMR, and indicates that the reduction in BMR must involve properties other than an overall body mass reduction. The simultaneous reduction in body mass and BMR could result from a negative energy balance, leading to a reduction in the masses of metabolically active organs. Alternatively, a reduction in BMR could be an adaptation to compensate for an elevated activity level during the chick-rearing period. By a reduction in the adult’s maintenance costs, more energy can be allocated for promoting chick growth.

Norwegian University of Science and Technology, Department of Zoology, N-7491 Trondheim, Norway, E-mail: ingveig.langseth@chembio.ntnu.no

Teruglopend lichaamsgewicht en basaalmetabolisme bij broedende wijfjes Drieteenmeeuwen Rissa tridactyla: een aanpassing om onderhoudskosten te beperken? Veranderingen in lichaamsgewicht en basaalmetabolisme (BMR) werden onderzocht bij broedende wijfjes Drieteenmeeuwen Rissa tridactyla op West-Spitsbergen (79°NB, 12°OL) in 1997 en 1998. Massabepalingen en metingen van het BMR werden verricht tijdens het broeden (twee weken voor het uitkomen van de eieren), rondom het uitkomen van de eieren, in de eerste dagen van jongenzorg en vlak voor het uitvliegen van de jongen. Gedurende het bebroeden van de eieren waren massa en BMR beide tamelijk stabiel, maar vanaf het moment van uitkomen tot het moment van uitvliegen namen massa en BMR respectievelijk met 12% en 26% af. Vanaf twee weken tot ongeveer vier weken in de periode van jongenzorg werden er echter geen veranderingen gevonden. Het BMR gemeten voor het gehele lichaam verhoudt zich als lichaamsmassa2.18. Deze exponent is groter dan verwacht voor een homomorfe variatie van het BMR en dit suggereert dat er andere factoren een rol spelen dan alleen een afnemend lichaamsgewicht. Het tegelijkertijd afnemen van massa en BMR zou het resultaat kunnen zijn van een negatieve energiebalans met als gevolg daarvan een teruglopende massa van de metabolisch actieve organen. Aan de andere kant zou een teruglopend BMR een aanpassing kunnen zijn om de verhoogde activiteit samenhangend met de jongenzorg op te vangen. Een reductie van de onderhoudskosten van de volwassen vogels zorgt ervoor dat meer energie kan worden gestoken in de jongenzorg waardoor de kuikens sneller kunnen groeien.

Dittmann T., J.-D. Ludwigs & P.H. Becker 2001. The influence of fledgling number and hatching order on return rates of Common Terns Sterna hirundo. Atlantic Seabirds 3(4): 179-186.

Natal characteristics of Common Terns Sterna hirundo that returned as prospecting pre-breeders to their home colony in a coastal brackish water lake in North-western Germany were compared with those that did not return. No influence of either fledgling number or hatching order on return rates (mean 41%) could be found. These findings indicate that during the stage of post-fledging care, individual parental quality becomes less important for the survival of the offspring.

Institut für Vogelforschung "Vogelwarte Helgoland", An der Vogelwarte 21, D-26386 Wilhelmshaven, Germany; E-mail: tobias.dittmann@ifv.terramare.de

De invloed van de volgorde van uitkomen en uitvliegen op het percentage terugkerende jongen bij de Visdief Sterna hirundo Bij dit onderzoek werd een vergelijking gemaakt tussen uitgevlogen Visdieven die als hoopvolle broedvogels terugkeerden op de onderzoekskolonie in de Banter See (havengebied Wilhelmshaven, Duitsland) met de exemplaren die niet terugkeerden. Bij ieder legsel werd de jongen gemerkt en werd bepaald in welke volgorde de eieren uitkwamen. Vervolgens werd gekeken in welke volgorde de jongen de kolonie als vliegvlugge juvenielen verlieten. Er bleek echter geen enkel verband te bestaan tussen de volgorde van uitkomen en uitvliegen en de kans dat een dergelijk jong in de kolonie werd teruggezien. De gegevens suggereren dat gedurende de jongenzorg ná het uitvliegen van de jongen (rond de kolonoe en onderweg naar de overwinteringsgebieden) de individuele verschillen in kwaliteit van de oudervogels een ondergeschikte rol spelen op de overlevingskansen van het jong.

Bourne W.R.P. & K.E.L. Simmons 2001. The distribution and breeding success of seabirds on and around ascension in the tropical Atlantic ocean. Atlantic Seabirds 3(4): 187-202.

Ascension was once one of the greatest seabird colonies in the world, comparable to the largest in the Pacific and Indian Oceans, the only one in the apparently barren centre of the tropical South Atlantic. The birds have been reduced by introduced rats and cats over the last three centuries, but early accounts, guano and bones suggest there were once more, most breeding in the north of the island. Observations from the shore and at sea indicate that while some seabirds may feed offshore and in an area of marine turbulence in the lee of the island to the west, many fly north towards the Equatorial Counter-current, where there are many more birds and cetaceans than to the south. Periodically there is increased rainfall which may be accompanied by seabird breeding failures, as in 1876, 1924, 1958-59, 1963, 1991-92 and 1997, possibly associated with fluctuations in the counter-current, similar to, but not always simultaneous with, El Niño/ Southern Oscillation (ENSO) events elsewhere. There is a need for world-wide monitoring and attention to the implications of these fluctuations.

1Ardgath, Station Road, Dufftown, By Keith AB55 4AX, U.K. 266 Romway Road, Leicester LE5 5SB, U.K.

De verspreiding op zee en het broedsucces van de zeevogels van Ascension in the tropische Atlantische Oceaan Omvangrijke afzettingen van vogelmest, grote hoeveelheden subfossiele en fossiele vogelbotten en historische verslagen van zeevarenden laten zien dat er op Ascension vroeger belangrijke zeevogelkolonies moet zijn geweest. Geïntroduceerde ratten en katten hebben daaraan gedurende de afgelopen drie eeuwen effectief een einde gemaakt. De vroegere zeevogelkolonies zijn naar alle waarschijnlijkheid vergelijkbaar geweest met de grootste kolonies in de tropische Grote en Indische Oceanen en het was de enige geschikte broedplaats in dit afgelegen, op het eerste gezicht voedselarme gedeelte van de Atlantische Oceaan. Op grond van waarnemingen ten noorden en ten zuiden van Ascension, aangevuld met gegevens over de vertrek- en aankomst vliegrichtingen van de zeevogels die hier nu nog steeds broeden en de ligging (het noorden) van de nu verdwenen en zonder meer meest belangrijke kolonies uit eerdere jaren wordt afgeleid dat veel zeevogels van Ascension op grote afstand van het eiland foerageren. De verzamelde aanwijzingen suggereren dat het vooral de Equatorial tegenstroom is (een naar het oosten gerichte waterbeweging; Fig. 1) waar de meeste zeevogels en zeezoogdieren gezien worden. Behalve de broedvogels van Ascension foerageren hier ook soorten die elders broeden en hier als doortrekkers of tijdelijke pleisteraars voorkomen. Op Ascension wordt soms exceptioneel veel neerslag gemeten, soms leidend tot het afbreken van het broedseizoen van de grondnesters (1876, 1924, 1958-59, 1963, 1991-92 en 1997). Deze regenval lijkt samen te hangen met fluctuaties in de kracht van de Equatorial tegenstroom en is vergelijkbaar met, maar niet altijd simultaan optredend met de El Niño/Southern Oscillation (ENSO) in de Grote Oceaan. Er wordt geconstateerd dat er een grote behoefte bestaat aan een wereldwijd monitoringprogramma waarin de effecten van dergelijke fluctuaties in de voornaamste golfstromen worden gedocumenteerd.

Krüger1 T. & S. Garthe 2001. Flight altitudes of coastal birds in relation to wind direction and speed. Atlantic Seabirds 3(4): 203-216.

During systematic sea watches carried out between 1 September and 15 November 1999 on the East Friesian island of Wangerooge, observations were recorded of the flight altitude of coastal birds in relation to wind direction and speed. In Red-throated Diver Gavia stellata, Common Eider Somateria mollissima and Common Scoter Melanitta nigra the proportion of birds flying into the wind low over the water (0-1.5m) increased with wind speed. On the other hand, in the same species, the number of low-flying birds decreased in inverse proportion to the speed of a tail wind and the ratio of birds flying at greater altitudes increased (1.5-12m and 12-25m respectively). Irrespective of wind speed, the proportion of individual birds flying low into the wind was highest in Red-throated Diver, Shelduck Tadorna tadorna, Common Eider and Common Scoter. This pattern is repeated at a higher level in Sandwich Tern Sterna sandvicensis and Common/Arctic Terns S. hirundo/paradisaea. In contrast, in tail winds, the greatest proportion of birds of these species invariably flew at the highest levels. Comparisons of flight altitudes reveal that these species fly noticeably higher in tail winds. This behaviour can be explained in terms of economy of effort on migration. The present study also reveals that diurnal movement of the observed species takes place mainly at a low flight altitude (up to 25m, occasionally up to 50m, rarely higher) above sea level. This demonstrates potentially adverse effects on birds from construction of proposed offshore wind farms. The data indicate that, to be of any value in the assessment of the potential disturbance of the wind farms to North Sea migrants, flight altitude records must be viewed against the background of the meteorological situation as a whole.

1Forschungs- und Technologiezentrum Westküste (FTZ) Universität Kiel, Hafentörn, 25761 Büsum Germany

Vlieghoogtes van kustvogels in relatie tot windrichting en windsnelheid Tijdens systematische zeetrektellingen tussen 1 september en 15 november 1999 op het Oost-Friese eiland Wangerooge, werden waarnemingen verzameld over de vlieghoogte van kustvogels in relatie tot windrichting en -snelheid. Bij Roodkeelduiker Gavia stellata, Eider Somateria mollisima en Zwarte Zee-eend Melanitta nigra nam het aandeel laag (0-1.5 m)tegen de wind in vliegende vogels toe met toenemende windsnelheid. Het aandeel laag vliegende vogels nam met meewind omgekeerd evenredig af met de windsnelheid, terwijl het aandeel hoger vliegende vogels (1.5-25 m) toenam. Het aandeel individuen dat tegen de wind invloog was, ongeacht de windsnelheid, het hoogst bij Roodkeelduiker, Bergeend Tadorna tadorna, Eider en Zwarte Zee-eend. Grote Stern Sterna sandvicensis en Noordse Dief S.hirundo/paradisaea vertonen een zelfde beeld, zij het op grotere hoogte. Met meewind vloog het merendeel van deze soorten in de bovenste hoogteklassen. Vergelijking van de vlieghoogtes laat zoen dat alle soorten met meewind aanmerkelijk hoger vliegen. Dit gedrag kan verklaard worden uit energetisch oogpunt. Deze studie laat tevens zien dat dagtrek van de waargenomen soorten met name op lage hoogtes (tot 25 m, soms tot 50 m, zelden hoger) boven zee plaatsvindt. De gegevens wijzen op potentiële, schadelijke effecten op vogels van de bouw van voorgestelde offshore windmolenparken. Om van enig nut te zijn bij risico-analyse van potentiële verstorende effecten van windmolenparken op door de Noordzee trekkende vogels moeten waarnemingen van vlieghoogtes tegen de achtergrond van de gehele metereologische situatie beschouwd worden.