ATLANTIC SEABIRDS

Contents and abstracts issue 4(2)
published August 2002

 

Titles, abstracts and Nederlandse samenvattingen

 

Jones T. 2002. Plumage polymorphism and kleptoparasitism in the Arctic Skua Stercorarius parasiticus. Atlantic Seabirds 4(2): 41-52.

 

The Arctic Skua Stercorarius parasiticus is polymorphic, expressing a roughly clinal variation in plumage from the northern to the southern end of its breeding range. It has been suggested - but never confirmed - that the maintenance of this polymorphism may be related to their role as specialist kleptoparasites of other birds, through either predator apostatic selection, or selection for cryptic advantage. The southern breeding population of Handa Island, Scotland, was studied during the summer of 2000. Various aspects of 1421 attacks on Common Guillemots Uria aalge were recorded, and tested for differences in behaviour and outcome between the morphs. No differences were found in relation to chase success rates, methods of attack, or the response of their victims. It is concluded that the polymorphism of this species is unrelated to its kleptoparasitic behaviour. Some other possible explanations for the plumage variation are briefly discussed.

 

Kleurfasen en kleptoparasitisme bij de Kleine Jager Stercorarius parasiticus De Kleine Jager kent een lichte en een donkere kleurfase, waarvan de onderlinge verhoudingen verschillen in de verschillende delen van zijn verspreidingsgebied. Lichte fase vogels zijn het talrijkst in arctische gebieden, terwijl in de zuidelijke broedgebieden, zoals in Schotland, veel vogels tot de donkere fase behoren. Het is vaak verondersteld, ofschoon dat nimmer werd aangetoond, dat de kleurfases blijven bestaan vanwege hun betekenis bij het kleptoparasitaire gedrag van jagers. In gebieden waar veel voedsel bemachtigd wordt door kleptoparasitisme zouden veel donkere fase individuen voorkomen, terwijl in de arctische broedgebieden, waar lichte vogels domineren, bijna al het voedsel zelfstandig wordt gevangen. Donkere vogels zouden wegvallen tegen de achtergrond en daardoor in het voordeel zijn wanneer zij hun slachtoffers kozen en belaagden. Op het Schotse eilandje Handa, waar één van de meest zuidelijke kolonies van de Kleine Jager is gevestigd, werd het succes van lichte en donkere Kleine Jagers als kleptoparasiet bestudeerd in de zomer van 2000. In totaal werden 1421 aanvallen van voedsel aanbrengende Zeekoeten Uria aalge bestudeerd, waarbij bijvoorbeeld de hoek van aanvallen (van onderen, van boven en op dezelfde vlieghoogte) en de mate van bewolking in ogenschouw werden genomen. Zo werd nagegaan of een donkere vogel bij zwaar bewolkt weer een grotere kans op succes had, of dat een lichte fase vogel bij een aanval van bovenaf bij een lichte lucht een betere kans maakte om zijn slachtoffer met succes te verrassen. Er werd echter geen enkel verschil tussen de beide kleurvarianten gevonden, zodat geconcludeerd wordt dat er geen relatie bestaat tussen de kleurfase en het succes als kleptoparasiet.

 

Dierschke V. & J-P. Daniels 2002. Foraging behaviour of non-breeding Pomarine Skuas Stercorarius pomarinus in the North Sea in summer. Atlantic Seabirds 4(2): 53-62.

 

From late May to mid September 2000, the unusual event of a summer assemblage of up to 16 Pomarine Skuas Stercorarius pomarinus occurred on the island of Helgoland (German Bight, North Sea). Most of the birds were immatures in second and third calendar-year, which moulted primaries, tail feathers and wing coverts. The Pomarine Skuas usually foraged by kleptoparasitism of Black-legged Kittiwakes Rissa tridactyla carrying food to the breeding colony. Success of attacks was higher with Black-legged Kittiwakes compared to other victims (e.g. Sandwich Tern Sterna sandvicensis and Arctic/Common Tern S. paradisaea/hirundo), placing Pomarine Skuas between Arctic Skuas Stercorarius parasiticus (preferably hunting terns) and Great Skuas Catharacta skua (unable to kleptoparasitise terns and attacking Black-legged Kittiwakes less often than Arctic and Pomarine Skuas do). When chasing Black-legged Kittiwakes, age of Pomarine Skuas and size of the hunting group (sometimes including Herring Gulls Larus argentatus) did not affect the success rate, but with larger group size the success per group member decreased. The unusual occurrence of a group of moulting Pomarine Skuas suggests that the sea around Helgoland holding many seabirds during the breeding season is usually under-exploited by skuas.

 

Foerageergedrag van niet-broedende middelste jagers Stercorarius pomarinus in de noordzee in de zomer Van eind mei tot half september 2000 verzamelden zich ongewoon veel Middelste Jagers Stercorarius pomarinus in de Duitse Bocht rond het eiland Helgoland. De meeste van de maximaal 16 exemplaren waren onvolwassen (2e en 3e kalenderjaar) en zij vertoonden rui van de slagpennen, staartveren en bovenvleugeldekveren. De jagers leefden vooral van het voedsel dat door Drieteenmeeuwen Rissa tridactyla in de broedkolonie werd aangevoerd (kleptoparasitisme). Het succes van hun aanvallen was bij Drieteenmeeuwen aanmerkelijk hoger dan bij de andere vogels die werden belaagd (bijv. Grote Stern Sterna sandvicensis, noordse/dief S. paradisaea/hirundo). Daarmee zou de Middelste Jager gerangschikt kunnen worden tussen de Kleine Jager S. parasiticus (die vooral sterns bejaagd) en de Grote Jager S. [Catharacta] skua (weinig succesvol bij sterns, minder vaak Drieteenmeeuwen aanvallend dan de kleinere jagersoorten). Bij de jacht op Drieteenmeeuwen hadden de leeftijd van de jagers, noch de grootte van de aanvallende groep (waarin soms ook Zilvermeeuwen Larus argentatus participeerden) invloed op het succespercentage. In grotere groepen nam het individuele foerageersucces echter aanmerkelijk af. Het ongebruikelijke, maar kennelijk succesvolle voorkomen van een ruiende groep Middelste Jagers in de zomer in de zuidelijke Noordzee suggereert dat de Duitse Bocht voor deze soort een geschikt overzomeringsgebied zou kunnen vormen.

 

Mougin J.-L., Chr. Jouanin & F. Roux 2002. The time of first returns to land by Cory’s Shearwater Calonectris diomedea borealis on Selvagem Grande during the breeding period. Atlantic Seabirds 4(2): 63-72.

 

The time of first returns to land within each attendance cycle by Cory’s Shearwater Calonectris [diomedea] borealis on Selvagem Grande (30°09’N, 15°52’W) is negatively correlated with the number of birds that will come to land in the evening. However, the mean time of first returns for each attendance cycle shows no significant variation from May to September. The Cory’s Shearwaters of Selvagem Grande are partly diurnal for at least part of their breeding cycle, in contrast to their conspecifics at other Mediterranean and Atlantic breeding localities. This behaviour may originate from when the size of the breeding population was very large, before its overexploitation and depredations in the 1960s and 1970s, and also linked to the lack of diurnal predators.

 

het tijdstip van aan land komen door kuhls pijlstormvogels Calonectris borealis OP Selvagem Grande IN de broedtijd Het tijdstip van het aan land komen door Kuhls Pijlstormvogels Calonectris borealis op Selvagem Grande (30°09’N, 15°52’W) blijkt negatief gecorreleerd te zijn met het aantal vogels dat per avond naar de kolonie terugkeert. De gemiddelde aankomsttijd vertoonde van mei tot september echter geen significante verschillen. In tegenstelling tot hun verwanten in andere Atlantische kolonies en in kolonies in de Middellandse Zee komen de Kuhls Pijlstormvogels van Selvagem Grande niet alleen 's nachts aan land. Dit gedrag kan nog stammen uit de tijd dat de kolonies op Selvagem Grande enorm groot waren, voordat de overexploitatie in de jaren zestig en zeventig haar tol had geëist. Populatiedruk kan hebben geleid tot dagactiviteit, hetgeen mogelijk was door een gebrek aan predatoren gedurende de dag.

 

Short notes

 

Olmos F. 2002. Pomarine Skuas Stercorarius pomarinus wintering off Brazil. Atlantic Seabirds 4(2): 73-76.

 

In the Atlantic, Pomarine Skuas Stercorarius pomarinus have been rarely recorded in southern South America. At-sea observations made from bottom long-line fishing boats operating on the shelf off the Brazilian coast between 23°30’S and 29°S showed Pomarine Skuas to be present in March, May, October and November, but absent in July, and to be the commonest skua in the area. Most records were made in March, when up to 14 individuals were recorded at a time. Most birds seemed to be immatures. Pomarine Skuas are clearly more regular off Brazil than suggested by the current literature.

 

Middelste Jagers Stercorarius pomarinus overwinterend voor Brazilië Tot dusverre werden Middelste Jagers Stercorarius pomarinus vrijwel niet in zuidelijk Zuid-Amerika gemeld. Waarnemingen vanaf vissersschepen op zee toonden aan dat Middelste Jagers op het Continentale Plat van Brazilië (23°30’ZB en 29°ZB) voorkomen in maart, mei, oktober en november. In juli werden tot dusverre geen Middelste Jagers gezien, maar in de andere maanden was het zelfs de talrijkste soort. De hoogste aantallen werden in maart gezien, met maximaal 14 exemplaren in een groep. Vrijwel alle vogels waren onvolwassen. Het voorkomen van Middelste Jager  is veel regelmatiger dan de literatuur suggereert.

 

Olmos F. 2002. At-sea records of Cape Verde Shearwaters Calonectris edwardsii in Brazil. Atlantic Seabirds 4(2): 77-80.

 

This note reports several sightings of Cape Verde Shearwaters Calonectris edwardsii off Brazil in an area where they have not been previously reported. Cape Verde Shearwaters were assumed to disperse in the South Atlantic Ocean outside the breeding season, while only several strandings indicated that this species occurred off South America.

 

Waarnemingen van Kaapverdische Pijlstormvogels Calonectris edwardsii voor de kust van Brazilië Het is niet bekend waar Kaapverdische Pijlstormvogels Calonectris edwardsii na de broedtijd heen trekken, maar aangenomen wordt dat zij zich over de Zuid-Atlantische Oceaan verspreiden. Er waren verschillende strandingen op de Braziliaanse kust, bekend maar verder waren er geen aanwijzingen waaruit bleek dat deze soort in de kustwateren van Brazilië voorkwam. In deze notitie worden enkele waarnemingen gedocumenteerd van Kaapverdische Pijlstormvogels die zich gedurende enige tijd rond lijnenvissers voor de kust van Brazilië ophielden. Vrijwel alle vogels konden worden gefotografeerd en de determinaties zijn door experts (CJH, BZ) bevestigd. De auteur noemt de kenmerken die de aandacht trokken en welke gebruikt werden bij de identificatie. De gegevens suggereren dat deze soort regelmatig in Brazilië voorkomt.