|
|
ATLANTIC
SEABIRDS Contents and abstracts issue 4(3)
|
|
Titles,
abstracts and Nederlandse samenvattingen
Chardine J.W. 2002. Distinguishing Black-legged
Kittiwake mates at the nest-site using wing tip patterns. Atlantic Seabirds
4(3): 81-90.
Inter-individual
differences in the patterns of black and white on the tips of primary feathers
5 through 10 are reported for Black-legged Kittiwakes Rissa tridactyla from
Arctic Canada and Newfoundland. Primaries were classified into five types
according to the amount of white at the tip. Primaries 5 or 6 (depending on
location) were the most variable between individuals and fell more evenly into
the five types, compared with primaries 9 and 10, almost all of which were of
one type. The Shannon-Weaver index was used to quantify this variation. The
shape, number and position of the black patches at the tip of primaries 5 and 6
also varied between individuals, as did the relative size of apical white spots
on primaries 6 through 10. These differences could be observed in the field
with a spotting scope or binoculars and were used successfully to distinguish
between members of the pair at the nest-site with 100% accuracy. Left-right
symmetry in wing tip pattern within a bird was high but not perfect. Similarly,
patterns were largely, but not perfectly, consistent across two successive wing
moults. In conjunction with observations of courtship feeding or copulation,
individual differences in wing tip pattern allow the study of birds of known
sex at the nest-site, in situations when their capture and marking is
undesirable or not possible. Other gull species may exhibit similar variation
in wing tip patterns between individuals.
Herkenning van Drieteenmeeuwen op de nestplaats met
behulp van het patroon op de vleugelpunt
Bij Drieteenmeeuwen Rissa tridactyla in arctisch Canada en Newfoundland werden
individuele verschillen in het zwart-witpatroon op de punten van de buitenste
handpennen (P) vastgesteld. Aan de hand van de hoeveelheid wit op de punt
werden vijf typen onderscheiden. Afhankelijk van de locatie vertoonden P5 en P6
de meeste, individuele variatie. In vergelijking met P9 en P10 die vrijwel alle
tot één type behoorden, waren P5 en P6 gelijkmatiger over de vijf typen
verdeeld (tabel 1). De beschreven variatie werd gekwantificeerd met de
Shannon-Weaverindex. Vorm, aantal en positie van de zwarte vlekken op de punt
van P5 en P6 vertoonden ook individuele variatie, evenals de relatieve grootte
van de apicale vlekken op P6 t/m 10. De beschreven verschillen konden in het
veld gebruikt worden om beide partners van een paar op de nestplaats met 100%
zekerheid van elkaar te onderscheiden. Het patroon op de linker- en
rechtervleugel was vrijwel gelijk. Ook het patroon na twee opeenvolgende
ruicycli was vrijwel altijd gelijk. In situaties waarbij het ongewenst of
onmogelijk is om vogels op de nestplaats te vangen en te merken maakt de
combinatie van waarnemingen van courtship
feeding of copulatie en individuele variatie in het patroon van de
vleugelpunt studie van vogels met bekend geslacht mogelijk. Andere
meeuwensoorten vertonen mogelijk een vergelijkbare, individuele variatie in
patroon op de vleugelpunt.
Hayes F.E., G.L. White,
M. Kenefick & H. Kilpatrick 2002. Status of the Lesser
Black-backed Gull Larus [fuscus]
graellsii in Trinidad and Tobago. Atlantic Seabirds 4(3): 91-100.
The Lesser Black-backed Gull Larus
graellsii is an Old World species
whose numbers have increased dramatically in the New World, but its status in
South America is poorly documented. We summarise data for 35 records of an
estimated 49 individuals (71.4% immature, 28.6% adult) in western Trinidad (45
ind) and southwestern Tobago (4) from August 1978 through April 2002. All
associated with flocks of Laughing Gull L. atricilla along the coast. Most records were in
winter (esp. Jan-Feb),but four stayed in
Trinidad throughout the summer of 2000. A few individuals that first appeared
in March-April may have been northbound migrants wintering farther south. Up to
13 individuals occurred during autumn-spring in Trinidad and up to two in
Tobago. Maximum daily counts included eight for Trinidad and two for Tobago.
The gulls may have arrived by migrating southward across the Caribbean or westward
across the central Atlantic.
Martinez-Abrain
A., D. Oro, J. Carda & X. del Señor 2002. Movements of Yellow-legged
Gulls Larus [cachinnans] michahellis
from two small western Mediterranean colonies. Atlantic Seabirds 4(3): 101-108.
In this
study we analyse recoveries and resightings of ringed Yellow-legged Gulls Larus
michahellis from two small colonies located along the E and SE
Mediterranean Iberian coast. Results show that birds follow the same migratory
routes as birds of other colonies of the western Mediterranean. Gulls move to
the Atlantic coast of France and Iberia after fledging, where they summer and
winter, although equally important numbers probably remain close to their natal
colonies. Immature gulls (1y + 2y) seem to return and stay in the vicinity of
their natal colonies during spring. Long-range movements target Atlantic areas
with a high primary production during periods of food scarcity in the western
Mediterranean. Adult gulls probably do shorter-term long-range dispersal
movements than juveniles and immatures, owing to their larger experience on
where to find alternative food sources.
TREKBEWEGINGEN VAN
GEELPOOTMEEUWEN LARUS MICHAHELLIS
AFKOMSTIG VAN TWEE KLEINE KOLONIES IN DE WESTELIJKE MIDDELLANDSE ZEE
Sinds 1993 werden jaarlijks
Geelpootmeeuwen geringd op de Columbretes eilanden op 57 km voor de kust van
Castellón (39°54'N, 00°41'O). In totaal gaat het daarbij om 1411 geringde
kuikens en sinds 1998 wordt behalve een metalen ring ook een gele kleurring met
inscriptie aangebracht. In 2001, toen de metalen ringen op waren, werden de
vogels alleen met kleurringen gemerkt. Op het eiland Benidorm, 3 km voor de
kust van Benidorm (38°30'N, 00°08'O) werden gedurende 1999-2001 eveneens
Geelpootmeeuwen ge(kleur-)ringd. Net als op de Columbretes eilanden ging het
hier in 2001 alleen om kleurringen. In totaal werden 77 terugmeldingen
verzameld, waarvan 73 van vogels van de Columbretes eilanden. Van deze groep
ging het om 2 terugmeldingen van metalen ringen en om 71 waarnemingen van gekleurringde
vogels. Onder de waargenomen individuen bevonden zich 14 meldingen van in
totaal 5 verschillende adulte Geelpootmeeuwen in de omgeving van de kolonie. De
jonge meeuwen bleken zich net als veel andere Geelpootmeeuwen in het westelijke
Middellandse Zeegebied over veel langere afstanden te verplaatsen. De vogels
trokken kennelijk noordwaarts tot aan de Franse grens en vervolgens
noordwestelijk om over land Bretagne, de Golf van Biskaje en de noordkust van
Portugal te bereiken. De uit de Middellandse Zee wegtrekkende vogels profiteren
wellicht van de rijkere voedselaanbod door upwelling
bij Bretagne en in de Golf van Biskaje in ene periode waarin er bijvoorbeeld
achter vissersschepen in de Middellandse Zee minder te halen valt. De trek over
land is mogelijk doordat de meeuwen ook in terrestrische habitats aan de kost
kunnen komen.
Short notes
Tamini L.L., J.E. Perez,
G.E. Chiaramonte & H.L. Cappozzo 2002. Magellanic Penguin Spheniscus magellanicus and fish as
bycatch in the cornalito Sorgentinia incisa
fishery at Puerto Quequén, Argentina. Atlantic Seabirds 4(3): 109-114.
Bycatch
rates of fish and Magellanic Penguins Spheniscus
magellanicus in the cornalito Sorgentinia
incisa fishery at Puerto Quequén, Argentina is described. An estimated 100
penguins may be killed annuallly in the fishery. Although of no likely impact
by itself, this bycatch should be placed in the wider context of other impacts
on Magellanic Penguin populations in Patagonia.
Bijvangsten
van Magelhaenpinguïns Spheniscus
magellanicus in de cornalito-visserij bij Puerto Quequén (ArgentiniË)
In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van
de bijvangsten van Magelhaenpinguïns tijdens de visserij op 'cornalito' Sorgentina incisa, een aan
koornaarsvissen (Atherinidae) verwante vissoort. Het bleek dat, gecorrigeerd
voor de intensiteit van de visserij, jaarlijks ongeveer 100 Magelhaenpinguïns
in de visnetten verdronken. Ofschoon dit aantal op het eerste gezicht klein is,
betogen de auteurs dat deze sterfte optreedt in een situatie waarin de pinguïns
aan een flink aantal verschillende bedreigingen blootstaan, zoals de
staand-wantvisserij bij Patagonië en olievervuiling langs de Argentijnse kust.
De auteurs bepleiten daarom maatregelen om de bijvangst te beperken.
L.G. Underhill & A. Chipps 2002. Red-billed Tropicbirds Phaethon aethereus in the southeastern Atlantic Ocean. Atlantic
Seabirds 4(3): 115-118.
Six records of
Red-billed Tropicbirds Phaethon aethereus
have been made in the southeastern sector of the Atlantic Ocean. Three were
made during the austral summer 2000/01, including the first specimen record. Four
of the six records were off the coast of South Africa and two off Namibia.
roodsnavelkeerkringvogels
PHAETHON AETHEREUS in de
zuidoostelijke atlantische oceaan
In de zuidoostelijke sector van de Atlantische
Oceaan, voor de kust van Zuid-Afrika en Namibië, werden tot dusverre zes maal
Roodsnavelkeerkringvogels Phaethon
aethereus gemeld. Drie van deze gevallen stammen uit de winter 2000/2001.
Hieronder bevond zich het eerste verzamelde exemplaar. Aangenomen wordt dat de
in dit gebied waargenomen keerkringvogels afkomstig zijn van de populatie op
Sint Helena, 2000-3200 km noordelijk van de plaats van de waarnemingen. In
figuur 1 en tabel 1 zijn alle gevallen weergegeven.
Greenwood J.G. 2002. Nesting cavity choice by Black
Guillemots Cepphus grille. Atlantic
Seabirds 4(3): 119-122.
The study examined
the characteristics of nesting cavities of Black Guillemots Cepphus grylle at a
pier in the harbour of Bangor, Co. Down, Northern Ireland during the period
1985–2001. Although the 15 nesting cavities in the pier appear superficially to
be the same, there must be differences that the bird detect as some cavities
were used every year and others rarely. Whilst one cavity was never used,
another was used in all 17 years of the study. A number of nest cavity
characteristics were measured and used as independent variables in a multiple
regression with the total number of eggs laid in the cavity as the dependent
variable. An exposure index (width x height / depth of cavity) and distance to
the nearest steps were the two significant independent variables indicating
that Black Guillemots chose the least exposed and least disturbed cavities in
the pier.
DE KEUZE VAN NESTHOLTES DOOR NESTELENDE ZWARTE
ZEEKOETEN CEPPHUS GRYLLE
In dit onderzoek werd voor de holenbroedende
Zwarte Zeekoet uitgezocht welke karakteristieken de nestholtes van de meest
succesvolle broedvogels hadden in een pier in Bangor (Noord-Ierland). In deze
pier nestelen Zwarte Zeekoeten voor zover bekend als sinds 1911 en de kolonie
wordt sinds 1985 bestudeerd. De 15 nestholtes lijken oppervlakkig gezien enorm
op elkaar, maar toch worden sommige nestholtes jaarlijks en andere zelden
benut. Er moeten dus verschillen zijn de kwaliteit van de nestgelegenheid.
Tabel 1 laat zien dat nesholte 15 nooit werd benut, terwijl in nest 3 in totaal
34 eieren werden gelegd (17 twee-legsels, benut in elk jaar van onderzoek). De
nestholtes werden opgemeten en een aantal andere karakteristieken werd
vastgesteld, zoals de onderlinge afstand, de afstand tot de bovenzijde van de
pier of de afstand tot ladders die gebruikt worden om de pier te beklimmen. Het
bleek dat de 'expositie' (blootstelling aan elementen en predatoren) van het
legsel een belangrijke factor was waardoor sommige holtes veel minder geschikt
bleken dan andere. De vogels kozen het liefst holtes van een meter diep met een
hoek van 90° waardoor het legsel van buiten af niet te zien was.
Harris M.P. & L.J. Wilson 2002.Common Guillemots Uria
aalge successfully rear a Razorbill Alca
torda chick. Atlantic Seabirds 4(3): 123-126.
In 2002 on the Isle of May (south-east Scotland) a pair of Common
Guillemots Uria aalge successfully reared a young Razorbill Alca torda
apparently following fighting for nest-sites.
Zeekoeten Uria Aalge brengen met succes een kuiken
van een Alk Alca torda groot
In 2001 bracht een paar Zeekoeten op Isle of May
met succes een kuiken van een Alk groot. Tijdens een "gevecht" met
een paar Alken ging het ei van de Zeekoeten verloren. Daarna bezetten de Alken
het zeekoetnest tijdelijk en hebben er een ei gelegd. Met het bezetten van hun
oorspronkelijke nest hebben de Zeekoeten ook het ei overgenomen en uitgebroed
Hoewel het kuiken klein leek is het, na een lange kuikenfase, met succes
"uitgevlogen".
Vercruijsse H.J.P., E.W.M. Stienen
& J. Van Waeyenberge 2002. First pure pairs
of Yellow-legged Gull Larus [cachinnans]
michahellis along the North Sea coasts. Atlantic Seabirds 4(3): 127-129.
Since 1985, newly created land in the outer harbour of Zeebrugge
(51°21’N, 3°11’E), Belgium, supports fast growing populations of gulls, terns
and plovers (Seys et
al. 1998; Stienen et al. in press). In 2002, 2100 pairs of Black-headed Gull Larus ridibundus, 3400 pairs of Lesser Black-backed Gull L. graellsii, 950 pairs of Herring Gull L. argentatus, 2450 pairs of Common Tern Sterna hirundo and smaller numbers of Ringed Plover Charadrius hiaticula, Kentish Plover C. alexandrinus,
Mediterranean Gull L.
melanocephalus, Common Gull L. canus, Sandwich Tern S.
sandvicensis and Little Tern S. albifrons were found breeding here. In the same year, the
first two pure pairs of Yellow-legged Gull Larus michahellis settled
in the outer harbour of Zeebrugge.
Eerste zuivere
BROedparen van Geelpootmeeuw Larus michahellis
langs de Noordzee
Vanaf 1985 worden
nieuw opgespoten delen van de voorhaven van Zeebrugge (51°21’N, 3°11’O),
België, in toenemende mate gebruikt door kustbroedvogels. In 2002 broedden er
2100 paren Kokmeeuw Larus ridibundus,
3400 paren Kleine Mantelmeeuw L. graellsii,
950 paren Zilvermeeuw L. argentatus,
2450 paren Visdief Sterna hirundo en
kleinere aantallen van Bontbekplevier Charadrius hiaticula,
Strandplevier C. alexandrinus,
Zwartkopmeeuw L. melanocephalus, Strommeeuw L. canus, Grote Stern S. sandvicensis en Dwergstern S. albifrons. Ook broedden in 2002
de eerste twee zuivere paren Geelpootmeeuw Larus
michahellis in de Zeebrugse voorhaven, terwijl er
ook twee gemengde paren (Geelpootmeeuw x Zilvermeeuw respectievelijk Kleine
Mantelmeeuw) werden aangetroffen. Braakballen die bij de nesten werden
gevonden, bevatten voornamelijk resten vis en konijn. Beide zuivere paren
brachten drie kuikens groot. De kolonisatie van de Belgische kust past goed in de noordelijke opmars
van deze soort vanuit het Mediterrane gebied gedurende de laatste decennia. Het
is echter vermeldenswaard omdat het hier gaat om de eerste zuivere paren langs
de Noordzeekust.
News and notices
Opinion
Camphuysen C.J. & M. Heubeck, S.L. Cox, R. Bao, D. Humple, C. Abraham & A. Sandoval
2002. The Prestige oil spill in Spain.
Atlantic Seabirds 4(3): 131-140.
The oil tanker Prestige, carrying a cargo of 77,000 tonnes of heavy
bunker oil, sank off the coast of Galicia (NW Spain) on 19 November 2002. Most
of the Galician coast was severely polluted with oil and hundreds of oiled
seabirds were retrieved from beaches in the first weeks of the incident. The
decision taken by Spanish authorities to tow the damaged vessel to deeper
offshore waters has been described as a criminal act and was the reason why
such a large area was affected. Seabird distribution in the offshore waters of
Galicia has not been studied well and as a result, the impact of this spill on
vulnerable populations is difficult to predict. Preliminary observations during
dissections suggest that the most numerous victims (in decreasing order of
abundance) have been: juvenile Razorbills (winter visitors), adult Atlantic
Puffins (winter visitors), adult European Shags (residents), adult Northern
Gannets (passage migrants), and juvenile Common Guillemots (winter visitors).
By 23/24th November 2002 it was estimated that over 80% of Yellow-legged Gulls
seen in coastal Galicia were oil-fouled, but relatively few of these were found
dead or were received in rehabilitation centres. Proper impact assessments of
oil spills have often been neglected in the past and would have been neglected
here again. It is concluded that we need to be better prepared for dealing with
the seabird casualties of the next major oil spill in Europe and that there is
an urgent need for a contingency plan for Europe to establish such procedures.
DE OLIERAMP MET DE PRESTIGE
IN SPANJE
De olietanker Prestige, geladen met 77.000 ton
zware stookolie, raakte medio november 2002 voor de Spaanse noordwestkust in de
problemen. Toen de kapitein dit voor het eerst wereldkundig maakte, bevond het schip
zich op korte afstand van de kust ter hoogte van Kaap Finisterre. Aan de
zijkant van het 250 meter lange schip bevond zich een 40-50 meter lange scheur
en uit de beschadigde tank verloor het schip grote hoeveelheden olie. De
Spaanse autoriteiten meenden van het probleem af te kunnen komen door het schip
naar open zee weg te slepen en nadat de meeste bemanningsleden van boord
gehaald waren werd het wrak naar een positie op ongeveer 60 mijl ten
noordwesten van de kust gebracht. Eenmaal daar aangekomen bleek dat het schip
niet lang meer drijvend gehouden kon worden en na een chaotische reeks van
tegenstrijdige beslissingen werd het schip in zuidwestelijke richting naar
Portugese wateren getrokken. Op 19 november brak het schip in twee stukken en
zonk in 3500 meter diep water op 42°12'N, 12°05'W, ongeveer 130 mijl
westzuidwestelijk van Kaap Finisterre.
De
beslissing om het schip naar zee te slepen is de grootste blunder die men had
kunnen begaan. In plaats van het schip naar een beschutte baai of haven te slepen,
waar de onvermijdelijke vervuiling beter te controleren en op te ruimen zou
zijn geweest, werd getracht de kust te vrijwaren door het schip op afstand te
houden. Het gevolg is dat de olie een veel groter deel van de Spaanse kust
heeft besmeurd, terwijl het zo goed als onbereikbare wrak nog steeds olie lekt,
waardoor het incident zeker nog vele maanden zal duren. Van een lokaal probleem
is het incident verworden tot een regionaal en zelfs een internationaal
probleem (olie in Portugal en Frankrijk, olievelden in de Golf van Biskaje).
Van eerdere olie-incidenten hadden de autoriteiten kunnen leren hoe het niet
moet en het wrange is, dat alle fouten die gemaakt werden bij de Prestige
ervoor gezorgd hebben dat we hier een kopie zien van de ramp met de Erika,
nog maar drie jaar geleden, in het noorden van de Golf van Biskaje!
Net
als de Erika, zonk ook de Prestige in een gebied waarvan we
weinig weten wat betreft het voorkomen van zeevogels op zee. Langs de kust
worden veel trekwaarnemingen verricht en de broedvogelbevolking is redelijk
bekend, maar er worden hier in elk geval 's winters geen systematische
tellingen uitgevoerd op grond waarvan de offshore zeevogelrijkdom geschat kan
worden. De eerste auteurs zijn naar Spanje vertrokken om in elk geval te zorgen
dat er een goede inschatting gemaakt kan worden van de schade van de ramp. Zij
hebben een systeem opgezet waarbij de vogels door vrijwilligers worden
opgeraapt, verzameld in een vogelopvangcentrum om vervolgens door deskundigen
te kunnen worden gedetermineerd, op leeftijd gebracht en inwendig worden
onderzocht. Van de eerste 654 dode vogels is de soortsamenstelling in tabel 3
weergegeven. Op basis van deze gegevens, niet meer dan een eerste indruk, kon
worden vastgesteld dat tot de meest talrijke slachtoffers behoren (in afnemende
volgorde): hoofdzakelijk juveniele Alken (wintergasten), adulte Papegaaiduiker
(wintergasten), adulte Kuifaalscholvers (locale populatie), adulte Jan van
Genten (doortrekkers), en juveniele Zeekoeten (wintergasten, wellicht ook de
eigen broedvogels). Rond 23/24 november 2002 werd geschat dat 80% van de
Geelpootmeeuwen in het kustgebied van Galicië met olie besmeurd was. Relatief
weinig meeuwen werden tot dusverre dood aangetroffen of nog levend naar de
opvangcentra gebracht. Geconcludeerd wordt dat het belang van een goed systeem
van "impact assessment" bij olierampen vaak te laat wordt
ingezien. De opvang van levende slachtoffers geldt doorgaans als een eerste
prioriteit, waardoor waardevolle gegevens over al omgekomen slachtoffers
verloren gaan. Dit was in Spanje niet anders. Het is zaak om beter voorbereid
te zijn bij toekomstige olie-incidenten, en daarom wordt een plan van aanpak
aanbevolen waarbij één of enkele teams deskundigen op afroep beschikbaar zijn
om het werk ter plaatse op te zetten en zo lang als nodig is uit te voeren.
Letter to the editors
Coulson
J.C. 2002. Recruitment to the breeding group in the Kittiwake Rissa
tridactyla. Atlantic Seabirds
4(3): 139-140.