|
|
ATLANTIC
SEABIRDS Contents and abstracts issue 5(1) |
|
Titles,
abstracts and Nederlandse samenvattingen
Poot M. 2003. Offshore
foraging of Mediterranean Gulls Larus
melanocephalus in Portugal during the winter. Atlantic Seabirds 5(1): 1-12.
Movements
and behaviour of Mediterranean Gulls Larus
melanocephalus were observed along the Atlantic coast of central Portugal
in December 2001. The observations suggest that at least part of the
Mediterranean Gull population wintering in central Portugal feeds extensively
at sea and possibly during the night. In the morning, Mediterranean Gulls flew
in straight lines towards the coast, where they settled on water to roost in
flocks of several tens of birds. Because there were no gulls near the coast at
sunrise, it is assumed that these arrivals were Mediterranean Gulls that had
spent the night out at sea. With an estimated ‘ground speed’ corrected for wind
speed, it was estimated that the birds could have covered several tens of
kilometres offshore between sunrise and the peak of coastal arrivals. One late
afternoon, there were no roosting birds at the coast, but foraging birds were
observed which were apparently successful. The question is raised whether the
foraging activity is solely restricted to the hours around sunrise and sunset,
or whether it is truly nocturnal. Changes in prey availability resulting from
vertical migrations in the water column may have influenced diurnal patterns in
foraging activity of the gulls. Alternatively, the possible utilisation of
discards cannot be ruled out, since night-active purse seine vessels normally
discharge discards early morning. However, outside the breeding season, the
Mediterranean Gull is so far only known to attend trawlers during the day.
OP ZEE FOERAGEREN VAN
ZWARTKOPMEEUWEN LARUS MELANOCEPHALUS IN
DE WINTER IN PORTUGAL
In december 2001 zijn op drie ochtenden en één
namiddag waarnemingen verzameld van Zwartkopmeeuwen Larus melanocephalus
vliegend over zee en rustend langs de kust nabij Cascais (tussen Cabo Raso en
Guincho), Centraal-Portugal. Op basis van de vliegbewegingen van en naar de
kust lijkt het erop dat tenminste een deel van de populatie Zwartkopmeeuwen
overwinterend langs de kusten van Portugal uitsluitend op zee zijn voedsel
vindt. Hetzelfde gaat op voor de grote aantallen overwinterende Kleine
Mantelmeeuwen Larus graellsii. Gedurende drie ochtenden werd gezien hoe
Zwartkopmeeuwen van grote afstand van zee naar de kust kwamen gevlogen om
achter de branding op het water te landen en in groepen van meest enkele
tientallen exemplaren te gaan rusten. Het is waarschijnlijk dat op de
waargenomen dagen de vogels de nacht op zee hebben doorgebracht en niet aan de
kust, aangezien in de ochtend daar geen enkele Zwartkopmeeuw werd aangetroffen.
Op grond van de aanname dat de vogels op de drie waarneemochtenden vanaf het
moment van zonsopkomst naar de kust begonnen te vliegen (ondersteund door
aanwijzingen), is berekend dat de vogels tientallen kilometers kunnen hebben
afgelegd voordat zij bij de kust werden waargenomen. Mogelijke redenen om in de
ochtend terug naar de kust te vliegen om daar te rusten, kunnen
predatievermijding en het gemakkelijk kunnen ontvluchten van slechte
weersomstandigheden zijn. Het risico om gekleptoparisiteerd te worden door met
name kleine jagers is echter aan de kust wel groter. De reden om predatie te
vermijden is, naast verstoring door recreatie van mensen, mogelijk ook een
verklaring voor het feit dat de vogels langs het bestudeerde deel van Portugal
niet of nauwelijks op het land rusten. Tijdens de waarnemingen in de namiddag
werden geen rustende Zwartkopmeeuwen waargenomen. Wel werd op dit tijdstip
foerageergedrag gezien, waarbij de vogels naar alle waarschijnlijkheid
succesvol waren. De vraag kan gesteld worden of het foerageergedrag van de
Zwartkopmeeuwen alleen beperkt is tot een periode rond zonsopkomst en
zonsondergang. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat er ook ‘s nacht
wordt gefoerageerd. Waarschijnlijk liggen veranderingen in
voedselbeschikbaarheid ten gevolge van verticale migratie van prooien in de
waterkolom ten grondslag aan de dagelijkse timing van het foerageergedrag van
de meeuwen. Een alternatieve voedselbron is dat vogels op zee profiteren van
vissersschepen overboord gezette visresten. Het gaat hierbij vermoedelijk om
purse-seiners, visserschepen die ’s nachts actief zijn en ’s ochtends vroeg
‘schoon schip maken’. Deze visserschepen hebben het gemunt op grote scholen van
jonge haringachtigen (o.a. sardines) voor de vismeelindustrie. De vissen worden
‘s nachts met behulp van grote lampen naar het oppervlak gelokt en vervolgens
ingesloten door een groot staand net dat door middel van een tweede schip om de
scholen heen getrokken wordt.
Garthe S., Wienck
K. & Cassens I. 2003. Herring
Gull Larus argentatus winter diet at
the western Baltic Sea coast: does ice cover make a difference? Atlantic
Seabirds 5(1): 13-20.
The
diet of Herring Gulls Larus argentatus
at Kiel Fjord, Baltic Sea, was assessed from pellets collected in a very cold
winter (1995-96), in a very mild winter (1997-98) and in spring 1996 for
comparison. Bivalves (mainly Mytilus
edulis) were the most frequently occurring food item in all three periods. Gastropods
(chiefly Littorina spec.) and
crustaceans (mainly Carcinus maenas)
were following next. Stones and different types of plant material were also
quite frequently present in the pellets. Differences between the three periods
were not very marked. Crustaceans, algae, grass and stones were most abundantly
found in the cold winter. Oligochaetes occurred only in spring. Stones were quite
common in the pellets both by frequency and by mass. In the cold winter 1996,
mean stone mass comprised 47% of total pellet mass. It is concluded that
Herring Gulls did not alter their diet in the cold winter to a major extent.
HET
VOEDSEL VAN ZILVERMEEUWEN LARUS ARGENTATUS IN DE WINTER IN DE WESTELIJKE
OOSTZEE: MAAKT EEN PAK IJS IETS UIT?
De prooikeuze van
Zilvermeeuwen Larus argentatus in de
Kieler Bocht (Oostzee) werd onderzocht aan de hand van braakballen in een zeer
koude winter (1995/96), in een zachte winter (1997/98) en in het voorjaar van
1996. Tweekleppigen (hoofdzakelijk Mosselen Mytilus
edulis) werden het meest frequent aangetroffen in elk van de
onderzoeksperioden (tabel 1, figuur 1), op de voet gevolgd door slakken (vooral
Littorina spp.) en kreeftachtigen
(vooral Strandkrabben Carcinus maenas). Daarnaast werden o.a. steentjes en
allerlei plantaardig materiaal in de braakballen aangetroffen. De verschillen
in voedselkeuze tussen de drie onderzoeksperioden waren niet bijzonder groot.
Kreeftachtigen, algen, gras en steentjes werden het meest gevonden in de koude
winter. Oligochaeten (i.c. regenwormen) werden alleen in het voorjaar in de
braakballen gevonden. Geconcludeerd wordt dat Zilvermeeuwen hun menu in de
koude winter niet substantieel behoefden aan te passen.
DIE
WINTER-NAHRUNG VON SILBERMÖWEN LARUS
ARGENTATUS AN DER WESTLICHEN OSTSEE-KÜSTE: MACHT EISBEDECKUNG EINEN
UNTERSCHIED?
Die Winter-Nahrung
von Silbermöwen Larus argentatus
wurde anhand von Speiballen an der Kieler Förde, westliche Ostsee, untersucht. Die
Proben wurden im sehr kalten Winter 1995/96, im sehr milden Winter 1997/98 und
für Vergleichszwecke auch im Frühjahr 1996 gesammelt. Muscheln (vor allem
Miesmuscheln Mytilus edulis) waren
die am häufigsten gefundene Nahrung in allen drei Perioden. Schnecken (vor
allem Littorina spec.) und Crustaceen
(hauptsächlich Strandkrabben Carcinus maenas) waren die
nächsthäufigsten Beutetiere. Steine und verschiedenes Pflanzenmaterial waren
ebenfalls recht oft in den Speiballen vertreten. Unterschiede zwischen den drei
Perioden waren nicht sehr markant. Crustaceen, Algen, Gras und Steine wurden am
häufigsten im sehr kalten Winter gefunden. Oligochaeten (d.h. Regenwürmer)
traten nur im Frühjahr auf. Steine waren relativ häufig in den Speiballen; im
kalten Winter 1995/96 umfasste ihre mittlere Masse 47 % der gesamten
Speiballen-Masse. Anhand der Studie zeigte sich, dass Silbermöwen ihre Nahrung
im sehr kalten Winter nicht wesentlich gegenüber dem sehr milden Winter
änderten.
Camphuysen
C.J.
2003. Characteristics of Atlantic Puffins Fratercula
arctica wrecked in The Netherlands, January-February 2003. Atlantic
Seabirds 5(1): 21-30.
An
unprecedented 114 Atlantic Puffins were found dead in The Netherlands in a few
weeks time, mostly early February 2003. The wreck coincided, but had no
relation with the Tricolor oil incident in The Channel and numerous dead
Puffins were found in Belgium and northern France as well. The stranding may
have involved between 180 and 200 Atlantic Puffins and 51.1% were identified as
first winter birds. The birds were clearly starved to death and a
mass-stranding of unoiled, severely emaciated Little Auks and Razorbills
occurred at the same time. Biometrics (wing length) pointed at British (North
Sea?) colonies as a source; none of the casualties was ringed. The wreck
coincided with an influx of birds, but the event lasted no more than a few
days. Following this wreck, mass mortality of auks has been witnessed in the
northern North Sea (Orkney, Shetland, and Norway), and these events may have
been related. The event in 2003 was the largest influx and wreck of Puffins in
75 years in The Netherlands.
KARAKTERISTIEKEN
VAN IN NEDERLAND AANGESPOELDE PAPEGAAIDUIKERS FRATERCULA ARCTICA, JANUARi-FEBRUARi 2003
Eind januari en begin februari 2003 werden in
korte tijd 114 Papegaaiduikers Fratercula
arctica gevonden tijdens tellingen op de Nederlandse kust. De stranding
viel min of meer samen met de door een lek in het schip Tricolor veroorzaakte olieramp, maar had daar verder niets mee te
maken. Toch werden ook in België en Noord-Frankrijk meer Papegaaiduikers dan
normaal gevonden. In totaal is het bij deze stranding vermoedelijk om tenminste
180-200 Papegaaiduikers gegaan, waarvan 51% als juveniel kon worden
gedetermineerd. De vogels waren sterk vermagerd en vermoedelijk door
verhongering en verzwakking om het leven gekomen. Helaas werden er geen
geringde Papegaaiduikers gevonden, maar de biometrische gegevens wezen op de
Britse Eilanden als de meest voor de hand liggende plaats van herkomst. Het
hele evenement, de invasie en de sterfte, vond zijn beslag in enkele dagen. De
sterfte van alkachtigen die vervolgens in Orkney, Shetland en langs de Noorse
kust werd gerapporteerd staat wellicht in verband met de gebeurtenissen in de
zuidelijke Noordzee, zodat de werkelijke sterfte misschien aanzienlijk
grootschaliger is geweest. Sinds 1929 waren er niet meer zoveel Papegaaiduikers
in Nederland aangespoeld.
Michel P. & Thompson
P.M. 2003. A simple photogrammetric
technique for estimating egg volume from field measurements. Atlantic Seabirds
5(1): 31-34.
We compared direct and indirect methods for estimating egg volume in
the Northern Fulmar Fulmarus glacialis and developed a simple photogrammetric technique. We found that more variability in measured
egg volume was explained by a photogrammetric estimate of cross-sectional area
(78%), in comparison to an ellipsoidal formula derived from field measurements
of egg length and breadth (61%), or a published formula (53%) that had been
used in previous studies of this species.
In future, this photogrammetric technique could also allow measurements
of complex shape indices and reduce handling and disturbance at the nest.
Een eenvoudige fotogrammetrische
methode voor De bepalIng van HEt eivolume aan de hand van metingen in het veld
De auteurs hebben een vergelijking gemaakt van directe en indirecte
methoden om het eivolume bij Noordse Stormvogels Fulmarus glacialis te bepalen. Ze hebben een eenvoudige
fotogrammetrische methode ontwikkeld om het eivolume aan de hand van een foto
van de dwarsdoorsnede te bepalen. Ze vonden dat de variatie in gemeten eivolume
beter werd verklaard met deze fotogrammetrische schatting van de dwarsdoorsnede
van een ei (78%) dan door twee andere methoden: 1) een ellipsoïdale formule die
is afgeleid van metingen van lengte en breedte van een ei (61%) en 2)
gepubliceerde algemene formules die zijn gebruikt bij eerdere studies naar de
Noordse Stormvogel (53%). De fotogrammetrische methode zou in de toekomst
metingen van complexe vormen mogelijk moeten maken. De methode leidt bovendien
tot minder verstoring bij het nest.
Underhill L.G., Calf
K.M., Crawford R.J.M., du Toit M., Waller L. & Whittington P.A. 2003. Flesh-footed Shearwater Puffinus carneipes and White-faced Storm Petrel Pelagodroma marina at Dyer Island, South
Africa. Atlantic Seabirds 5(1): 35-37.
A Flesh-footed Shearwater Puffinus
carneipes and a White-faced Storm Petrel Pelagodroma marina were caught, measured and ringed at Dyer Island,
South Africa, in September and October 2001, respectively. The Flesh-footed
Shearwater was the second record on land for Dyer Island, and the first to be
ringed in southern Africa. The White-faced Storm Petrel was the fourth record
for South Africa, the three earlier observations being sight records.
Australische Grote Pijlstormvogel Puffinus carneipes en Bont Stormvogeltje
Pelagodroma marina op Dyer Island,
Zuid-Afrika
Op Dyer Island (34°41'Z,
19°25'O), een eilandje op ongeveer 55 km ten westen van Kaap Agulhas voor de
Zuid-Afrikaanse kust, werden twee zeldzame stormvogels aan land aangetroffen,
gevangen en geringd. Australische Grote Pijlstormvogels, waarvan de
dichtstbijzijnde kolonies zich 5100 km oostelijker bevinden (St Paul), werden
gevonden op 9 oktober 1999 en 18-19 september 2001. Een Bont Stormvogeltje, met
de dichtstbijzijnde kolonies op Tristan da Cunha (2600 km westelijker), werd
gevangen en geringd op 23 oktober 2001. Beide soorten werden tot dusverre
zelden of nooit in de buurt van het vasteland van Zuid-Afrika vastgesteld.
News and notices
Book
reviews:
Flight identification of European Seabirds (reviewed by Steve Geelhoed)
The Migration atlas: the movements of the birds of
Britain and Ireland (reviewed by Claire
McSorley)