Atlantic Seabirds

  Contents and abstracts issue 6(2) 2004
published Januari 2005

Titles, abstracts and Nederlandse samenvattingen


Barrett R.T., Josefsen T.D. & Polder A. 2004. Early spring wreck of Black-legged Kittiwakes Rissa tridactyla in North Norway, April 2003. Atlantic Seabirds 6(2): 33-45

Large numbers of dead Black-legged Kittiwakes Rissa tridactyla were washed ashore in North Norway in late April 2003. Inspection of 51 corpses indicated that they had died of starvation. More than 90% of those collected were males. Coincidental with the wreck were reports of many of the large colonies in the region being temporarily abandoned at a time when birds would normally be starting to breed. It seems that North Norwegian Black-legged Kittiwakes are dependent on the annual spring spawning migration of Capelin Mallotus villosus along the coast of Finnmark. In 2003, however, the stock was low and spawning took place exceptionally far west, forcing the birds to leave their colonies in their search for food. When small amounts of Capelin appeared along the Finnmark coast in mid-May the kittiwakes returned to their colonies and breeding proceeded as normal. This episode was unusual as the victims of starvation wrecks are usually auks, not kittiwakes.

VOORJAARSSTRANDING VAN DRIETEENMEEUWEN RISSA TRIDACTYLA IN NOORD-NOORWEGEN, APRIL 2003

In Noord-Noorwegem spoelden eind april 2003 grote aantallen dode Drieteenmeeuwen Rissa tridactyla aan. Onderzoek aan 51 kadavers gaf aan dat deze dieren door voedselgebrek gestorven zijn. Meer dan 90% van de verzamelde kadavers waren mannetjes. Ten tijde van de stranding kwamen ook berichten door dat veel grote kolonies in Noord-Noorwegen tijdelijk verlaten waren en dat in een tijd dat vogels normaliter met broeden zouden beginnen. Het lijkt erop dat Noord-Noorse Drieteenmeeuwen afhankelijk zijn van de jaarlijkse voorjaarstrek gericht op het kuit schieten van Lodde Mallotus villosus langs de kust van Finnmarken. In 2003 was de populatie echter klein en kuit schieten vond uitzonderlijk ver in het westen plaats, waardoor vogels in hun zoektocht naar voedsel gedwongen waren om de kolonies te verlaten. Toen kleine aantallen Lodde half mei langs de kust van Finnmarken opdoken keerden Drieteenmeeuwen terug naar hun kolonies en verliep het broedproces verder normaal. De beschreven stranding was uitzonderlijk, omdat alkachtigen gewoonlijk slachtoffer worden van voedselgebrek, geen Drieteenmeeuwen.


Wilhelm S.I. & Storey A.E. 2004. Temporal comparisons in feeding ecology and growth of young Common Guillemots Uria aalge. Atlantic Seabirds 6(2): 47-64

Short and long-term changes in feeding ecology of Common Guillemots Uria aalge breeding in Witless Bay, Newfoundland, were investigated across three consecutive breeding seasons (1998-2000) and across decades (late 1970s to mid 1980s versus 1998-2000). The relationship between feeding rates and two chick growth parameters (mass and wing length) was also examined. From 1998-2000, observations were focused on the same subset of colour-ringed guillemots. Chick provisioning rates were highly variable within and across seasons. In all years, young guillemots were fed primarily medium-sized Capelin Mallotus villosus. In 1999 and 2000, their diets were supplemented with sandeel Ammodytes spp. Chick mass did not differ across years, however, a positive relationship existed between feeding rates and chick mass. Although no relationship was found between feeding rates and wing length, chicks reared in 2000 had longer wings than same aged chicks reared in 1998 and 1999. During unfavourable breeding conditions, wing growth may be prioritized to allow earlier departure. Overall, the diet and condition of Common Guillemot chicks reared in Witless Bay are similar to those reported in the 1970s and 1980s, despite important changes in Capelin biology and distribution in the Northwest Atlantic.

TEMPORELE VERANDERINGEN IN DE VOEDSELECOLOGIE EN GROEI VAN KUIKENS BIJ DE ZEEKOET URIA AALGE

Veranderingen op korte en lange termijn in de voedselecologie van Zeekoeten Uria aalge broedend in Witless Bay, Newfoundland werden onderzocht in drie opeenvolgende broedseizoenen (1998-2000) en in twee verschillende decaden (eind jaren zeventig tot halverwege jaren tachtig vergeleken met 1998-2000). Daarnaast werden fluctuaties in voedselafdrachten in verband gebracht met variaties betreffende de groei van kuikens (massa en vleugellengte). In 1998-2000 concentreerden de waarnemingen zich op dezelfde, individueel herkenbare (gekleurringde) Zeekoeten. De frequentie van voedselafdrachten wisselde enorm, zowel binnen elk seizoen als in vergelijking tussen de broedseizoenen onderling. Elk jaar werden de jonge kuikens vooral met Lodde Mallotus villosus gevoerd, maar in 1999 en 2000 werd daarnaast ook zandspiering Ammodytes spp. aangebracht. De gemiddelde massa van de kuikens met leeftijd verschilde niet van jaar tot jaar, maar er was een positief verband tussen de frequentie van voedselafdrachten en kuikengewicht. Ofschoon er geen verband werd gevonden tussen het aantal voedselafdrachten en de groei van de vleugels, vertoonden de kuikens in 2000 een sneller groei dan in 1998 en 1999. Verondersteld wordt dat de groei van de vleugels prioriteit krijgt over het lichaamsgewicht in jaren met ongunstige omstandigheden rond de kolonie, zodat de jongen eerder de kolonie kunnen verlaten. Over het algemeen waren dieet, groei en conditie van de kuikens in Witless Bay goed vergelijkbaar met de in eerdere jaren vergaarde gegevens, ondanks dat er belangrijke veranderingen zijn geweest in de groei en verspreiding van Lodde in het Noordwest Atlantische gebied in deze periode.


Milchev B.,Kodjabashev N.,Sivkov Y. & Chobanov D. 2004. Post-breeding season diet of the Mediterranean Gull Larus melanocephalus at the Bulgarian Black Sea coast. Atlantic Seabirds 6(2): 65-78

The seeds of three cultivated plants, Barley Hordeum vulgare, wheat Triticum sp., and Sunflower Helianthus annuus, and of ragwort Senecio sp., constituted the staple diet of Mediterranean Gulls Larus melanocephalus during their post-breeding residence at the Atanasovsko Lake Reserve (in 99% of pellets, n = 2,397 pellets). Pellets with fully digested seeds of Barley, Wheat and Ragwort contained a significantly greater number of gastrolith fragments. The pellets containing only visibly undigested seeds constituted 19% of samples (n = 2,397). Of these, the seeds of seven species germinated, and five of them had germination rates over 50%. Animal remains were found in 27% of the pellets (n = 2,397) with terrestrial animals predominating. Of the invertebrate species, ground beetles in the genus Harpalus (32%, n = 1,226 individuals) and grasshoppers (24%) occurred in greatest numbers. Vertebrates consisted mainly of marine and brackish benthic fishes (76%, n = 238 individuals). The seeds and stones ingested as gastroliths came from stubble in crop fields. Gulls flew to beaches to obtain bivalve seashells as gastroliths and to forage extra food. Gulls feeding mainly in fields after the nesting season probably reflect the seasonal flush of available food in habitats suitable for feeding in the region.

LARUS MELANOCEPHALUS NA DE BROEDTIJD AAN DE BULGAARSE KUST VAN DE ZWARTE ZEE

De zaden van drie gecultiveerde planten, Gerst Hordeum vulgare, tarwe Triticum spp. en Zonnebloem Helianthis annuus vormden het hoofdbestanddeel van het voedsel dat Zwartkopmeeuwen Larus melanocephalus bij elkaar scharrelen na de broedtijd in het Atanasovsko reservaat (aangetroffen in 99% van de braakballen, n = 2397). Braakballen met min of meer verteerde graankorrels en zaden bevatten een significant grotere hoeveelheid resten van gastrolieten (steentjes en harde brokjes die ter bevordering van de vertering in de maag worden opgeslagen). Sommige braakballen bestonden uit zo goed als onverteerd material (19%, n = 2397). Zeven verschillende soorten zaden in deze braakballen bleken nog uit te lopen en van vijf soorten liep niet minder dan 50% van de aangetroffen zaden nog uit.
Dierlijke resten werden in 27% van de braakballen aangetroffen en daarbij overheersten dieren van terrestrische oorsprong (landdieren). Bij de ongewervelden ging het vooral om loopkevers Harpalus spp. (32%, n = 1226 individuen) en sprinkhanen (24%). Onder de gewervelde prooidieren werden hoofdzakelijk zout- en brakwatervissen aangetroffen (76%, n = 238 exemplaren). De als gastrolieten ingeslikte zaden en steentjes kwamen van stoppelvelden. Langs de kust werden ook schelpen (Bivalvia) als gastrolieten opgezicht en daarnaast werd hier actief gevist.


Notes on seabirds

Camphuysen C.J. 2004. Deposition rates of carcasses on the beach in The Netherlands. Atlantic Seabirds 6(2): 79-80

HET AANTAL DODE VOGELS DAT DAGELIJKS AANSPOELT AAN DE NEDERLANDSE KUST

Er bestaan maar weinig betrouwbare schattingen van de aantallen vogels die op de kust aanspoelen. Aaseters en weer en wind doen kadavers verdwijnen voordat de tellers er bij gekomen zijn en alleen op basis van een uitermate intensieve survey is een schatting te maken van de dagelijkse aanvoer. In Noord-Holland is door medewerkers van voorheen Natuurvereniging "De Windbreker" sinds maart 1988 een intensief programma uitgevoerd waarbij de 6 km lange Hondsbossche Zeewering en 2 km aansluitend strand vrijwel dagelijks worden onderzocht. Uit deze ononderbroken serie van 195 maanden gegevens blijkt dat er een flinke variatie bestaat in de dagelijkse aanvoer van kadavers, maar met een duidelijke piek in de winter (Fig. 1), en met een maximum van 4.6 ± 3.9 kadavers per dag (0.57 ±0.49 per km per dag) in februari. Van jaar tot jaar bedroeg het aantal gevonden lijken gemiddeld 553.5 ± 196.0 (69.2 ± 24.5 per km). Wanneer dit getal wordt gebruikt om een schatting voor de gehele Nederlandse Noordzeekust te maken, dan spoelen hier naar schatting bijna 27,000 ± 9500 kadavers per jaar aan.