Titles, abstracts and Nederlandse samenvattingen
Sonntag N. & Hüppop O. 2005. Snacks from the depth: summer and winter diet of Common Guillemots Uria aalge around the Island of Helgoland. Atlantic Seabirds 7(1): 1-14
Stomach contents from 53 Common Guillemots Uria aalge beached at the Island of Helgoland in the southeastern North Sea were examined for prey remains. In winter 2000/2001, the prey spectrum was quite diverse. Remains of species belonging to ten different families of teleost fishes were found, with pipefishes, gobies, sandeels and clupeids being the most abundant prey. Invertebrates contributed only 1 % of all prey items. The diversity was considerably smaller in winter 2001/2002, when clupeids and sandeels had the highest numerical abundance and only three other families were found. The number of sandeels and clupeids in the stomachs might be connected with water temperature. When these fish families were present in the stomachs, the water temperature on the day before collecting the dead Guillemots was significantly higher than when these fish were absent in both winter periods. The few samples collected in summer contained mainly sandeels and clupeids, fish species which are also brought to the colony for display and to feed the chicks. However, the fishes found in the stomachs of the adult birds were smaller than fishes carried to the breeding ledges. Additionally, a dragonet and a cephalopod were found in the stomachs, prey that have never been observed in the colony. This confirms our assumption that observations of the fishes brought to the colony are not representative for the diet of adults. Adult Guillemots deliver relatively large fishes of high caloric density to the chicks. During self-feeding, they are much more opportunistic and also consume smaller and leaner prey. This is in accordance with Central Place Foraging Theory. Difficulties in the methods employed and the effect of oiling on diet composition are also discussed in this study. While oiling seemed to have no influence on the total number of prey items found in the stomachs of the dead Guillemots, we found sandeels and gobies more frequently in oiled and pipefishes more often in unoiled birds.
SNACKS UIT DE DIEPTE: ZOMER- EN WINTERDIEET VAN ZEEKOETEN URIA AALGE ROND HELGOLANDP
Maaginhouden van 53 aangespoelde Zeekoeten op het eiland Helgoland in de zuidoostelijke Noordzee werden onderzocht op prooiresten. In de winter 2000/2001 was het voedselspectrum divers. Er werden resten gevonden van soorten behorend tot tien verschillende families van beenvissen, met zeenaalden, grondels, zandsprieringen en haringachtigen als meest voorkomende prooien. Ongewervelden droegen slechts 1% bij aan alle prooien. De diversiteit was in de winter van 2001/2002 aanzienlijk lager, waarbij haringachtigen en zandspiering kwantitatief de hoogste abundantie hadden, en er slechts drie andere families werden gevonden (tabel 1). De aantallen zandspiering en haringachtigen zijn mogelijk gerelateerd aan de watertemperatuur. Indien deze visfamilies aanwezig waren in de magen, was de watertemperatuur de dag voordat de dode Zeekoeten verzameld waren hoger dan wanneer deze soorten afwezig waren (fig 1). Het geringe aantal monsters dat in de zomer werd verzameld bevatte met name zandspiering en haringachtigen (tabel 2), soorten die ook naar de kolonie worden gebracht voor de balts en voor het voeden van de kuikens. De vissen die in de magen van adulte vogels werden gevonden, waren echter kleiner dan de vissen die naar de broedrichels werden gebracht. Bovendien werden een pitvis en een inktvisachtige in de magen gevonden; prooien die nooit in de kolonie vastgesteld zijn. Dit bevestigt ons vermoeden dat waarnemingen van soorten die naar de kolonie worden gebracht, niet representatief zijn voor het dieet van volwassen vogels. Deze voeden de kuikens met relatief grote vissen met een hoge voedingswaarde. Als ze zelf foerageren, zijn ze opportunistischer en consumeren ze kleinere en magerder prooien. Dit is in overeenstemming met de voedseltheorie. Tekortkomingen van de gebruikte methoden en het effect van oliebesmeuring worden bediscussieerd. Terwijl olie geen invloed op het totaal aantal prooien in de maag van dode Zeekoeten lijkt te hebben, vonden we in de magen van olievogels vaker zandspieringen en grondels, en vaker zeenaalden in de magen van niet met olie besmeurde vogels.
De León A., Mínguez E. & Neves V.R. 2005. Factors affecting breeding distribution and seabird richness within the Azores archipelago. Atlantic Seabirds 7(1): 15-22
Seabird populations in the Azores archipelago are currently much smaller and more restricted in distribution than in the past. Important factors in this decline include predation by alien mammals, human exploitation, and habitat loss. We investigated the extent to which the presence of human and introduced predators, and some geographical features of the islands affect distribution and richness of seabirds breeding on this archipelago. Richness of seabird species (five Procellariiformes, one gull and two tern species) was higher on the main islands, which possess cliffs. As a result, shearwaters and gulls were more likely to be found on the larger islands that also tended to have rats and cats present. However, Madeiran Storm-petrel Oceanodroma castro and Bulwer’s Petrel Bulweria bulwerii only breed in numbers on a very few rat-free islets. Continued management is needed to avoid human disturbance and alien invasion onto islets with small petrels. We recommend study of the effects of mammals on Little Shearwaters Puffinus assimilis baroli and Manx Shearwaters P. puffinus in the Azores, as the overlap between the distributions of these two species and rats is surprising.
FACTOREN DIE DE BROEDVOGELVERSPREIDING EN ZEEVOGELRIJKDOM OP DE AZOREN BEPALEN
In vergelijking met vroeger zijn zeevogelpopulaties op de Azoren tegenwoordig veel kleiner en kennen ze een beperktere verspreiding. Belangrijke factoren bij deze achteruitgang zijn ondermeer predatie door ingevoerde zoogdieren, exploitatie door mensen en verlies van habitat. Wij onderzochten in welke mate de aanwezigheid van mensen en geïntroduceerde predatoren, en enkele geografische eigenschappen van de eilanden invloed hebben op de verspreiding van en de rijkdom aan broedende zeevogels. Soortenrijkdom (vijf Procellariiformes, een meeuw en twee soorten sterns) was hoger op de grote eilanden die kliffen hebben. Dientengevolge was de kans om pijlstormvogels en meeuwen te vinden groter op de grotere eilanden die er ook toe neigden dat er katten en ratten aanwezig waren. Grotere aantallen Madeira Stormvogeltje Oceanodroma castro en Bulwers Stormvogel Bulweria bulwerii broeden echter alleen op een klein aantal ratvrije eilandjes. Voortdurend beheer is noodzakelijk om verstoring door mensen en introductie van predatoren op eilandjes waar stormvogeltjes broeden, te voorkomen. Wij doen een aanbeveling om een studie te verrichten naar de effecten van zoogdiern op Kleine Pijlstormvogel Puffinus assimilis baroli en Noordse Pijlstormvogel P. puffinus, omdat de overlap in verspreiding van beide soorten en ratten verrassend is.
Van der Winden J. 2005. Recording arrested primary moult in terns, using Black Terns Chlidonias niger as examples. Atlantic Seabirds 7(1): 23-30
This paper presents some adaptations to usual primary moult scores in terns. It is proposed to score old ‘arrested’ moult series separately, to facilitate the analysis of moult in the breeding period more effectively. To do this in a comparable manner, it is proposed to record moult scores for active series (after breeding) as A = new first series, B = new second series and C is new third series. For old (arrested) primaries this can be expanded to: E = old first series, F = old second series and G = old third series. Some examples for Black Tern are presented for the whole annual cycle.
REGISTRATIE VAN ONDERBROKEN HANDPENRUI BIJ STERNS, MET VOORBEELDEN VAN DE ZWARTE STERN CHLIDONIAS NIGER
In aanvulling op eerdere methoden om de vleugelrui bij sterns te registreren wordt in dit artikel voorgesteld om zowel oude (onderbroken, ‘arrested’) als nieuwe ruiseries op een systematische wijze te beschrijven. Het voordeel ten opzichte van eerdere methoden is dat onderbroken series afzonderlijk worden onderscheiden zodat de voortgang van de winterrui achteraf, dus in de broedtijd, beschreven kan worden. Om dit op een vergelijkbare wijze te doen, wordt voorgesteld de registratietechniek voor ruiscores uit te breiden met scores voor nieuwe pennen per serie volgens tabel 1: A = nieuw eerste serie, B = nieuw tweede serie en C = nieuw derde serie. Voor oude pennen kan dit doorgevoerd worden volgens: E = oud eerste serie, F = oud tweede serie en G = oud derde serie. In deze optiek blijven 5 en 0 gereserveerd voor situaties waarin onderscheid niet mogelijk is of wanneer onderzoekers geen onderscheid willen of kunnen maken. In een aantal voorbeelden van ruiscores van zwarte sterns uit de gehele jaarcyclus wordt de voorgestelde score toegepast (fig 1 t/m 4).
Leonard K. & McKee N.D. 2005. Ageing Manx Shearwaters Puffinus puffinus. Atlantic Seabirds 7(1): 31-38
There is little published information on ageing criteria for juvenile Manx Shearwaters Puffinus puffinus. We detail ageing criteria that have been used at Copeland Bird Observatory, Co. Down, for approximately 30 years. It involves using basic moult techniques and differences in feather colour, shape and pattern to distinguish fully moulted juvenile birds from adults. Juvenile birds have black feathers, a distinctive pointed and hooked primary shape, and pale edgings to their mantle feathers. Adults have brown feathers with rounded, worn primaries and mantle feathers. The shape and colour of the axilliaries have been reported as an ageing criterion and these were found to be useful features. Using these techniques, it is possible to confidently age fully grown down-less Manx Shearwaters caught in the autumn. These characters may also be of use in identifying first year birds found away from the colony in the year after fledging.
LEEFTIJDSBEPALING VAN NOORDSE PIJLSTORMVOGEL
Er is weinig informatie gepubliceerd op over leeftijdskenmerken van juveniele Noordse Pijlstormvogel Puffinus puffinus. Wij gaan dieper in op de leeftijdskenmerken die al ongeveer dertig jaar worden gebruikt op Copeland Bird Observatory, Co. Down. Er wordt gebruik gemaakt van standaard ruikenmerken en verschillen in kleur, vorm en patroon van de veren om volledig geruide juvenielen te onderscheiden van adulte vogels (fig 1 t/m 3). Juveniele vogels hebben zwarte veren, kenmerkend gepunte en hoekige handpennen en lichte randen op de mantelveren. Adulte vogels hebben bruine veren met afgeronde, gesleten handpennen en mantelveren. Vorm en kleur van de okselveren worden in de literatuur genoemd als leeftijdskenmerk (fig 4), hetgeen bevestigd kon worden. Door gebruik te maken van de gepresenteerde kenmerken (tabel 1) is het mogelijk om volgroeide, donsloze Noordse Pijlstormvogels die in het najaar zjn gevangen, op leeftijd te brengen. Deze kenmerken kunnen ook nuttig zijn bij herkennen van eerstejaars vogels die het jaar na uitvliegen buiten de kolonie worden gevonden.