Titles, abstracts and Nederlandse samenvattingen
Camphuysen, C.J. 2006. Assessing age and breeding origin of wrecked Little Auks Alle alle : the use of biometrics and a variable underwing pattern. Atlantic Seabirds 7(2): 49-70
Biometrics and plumage characteristics of Little Auks Alle alle were evaluated to assess possibilities for the external ageing of individual birds. Age is important when biometrical data are used to assess the subspecific identity or probable breeding origin of the birds. Standard biometrics included bill length (feathers to tip), distance from nostril to tip, bill depth, head, wing (maximum flattened chord), and tarsus length, and body mass. The presence or absence of white or white-tipped feathers was checked in seven feather groups of the (grey) underwing. Bill depth and wing length were the most useful measurements to separate adult and juvenile Little Auks (when combined, classification accuracy 83%). In combination with body mass (only emaciated birds were used), the age was assigned correctly in 88% of the examined birds. White or white-tipped feathers in the lesser primary coverts (LPC) occurred more frequently in juveniles than in adults, while the reverse was true for the greater secondary coverts (GPC). Only 74% of the Little Auks were properly aged on the basis of a combination of LPC and GPC pigmentation. With body mass being a ‘difficult’ measurement (an assessment of physical condition is required and incomplete corpses cannot be weighed), the combination of bill depth, wing length and white in LPC and GPC was evaluated (87% correctly assigned). A review of biometrics collected in breeding areas indicated that birds wrecked in The Netherlands were of the subspecies A. alle alle, with an overall size similar to for example birds of Bjørnøya (Bear Island) in the Barents Sea. It is recommended to use bill depth and wing length for ageing in combination with pigmentation patterns of LPC and GPC in future studies of wrecked birds. For comparisons with breeding populations, bill length and wing length are the most widely available and therefore useful measurements.
BEPALING VAN DE LEEFTIJD EN DE HERKOMST VAN GESTRANDE KLEINE ALKEN ALLE ALLE: DE BETEKENIS VAN BIOMETRISCHE GEGEVENS EN EEN VARIABEL PATROON OP DE ONDERVLEUGEL
Bij massale strandingen van zeevogels is het een goed gebruik om de achtergronden en de mogelijke oorzaak te onderzoeken. De vogels worden dan gemeten, een indruk wordt opgedaan van de leeftijdsverdeling en de sexratio, en zo mogelijk wordt nagegaan waar de gestrande vogels vandaan zijn gekomen. In het ideale geval zijn alleen uitwendige bepalingen noodzakelijk, liefst aan onderdelen waardoor ook aangevreten, incomplete kadavers nog bruikbaar zijn. Voor de herkomst van vogels zijn ringgegevens het meest betrouwbaar, maar helaas zijn er zelden voldoende geringde exemplaren voorhanden om een uitspraak te kunnen doen. In dergelijke gevallen worden de genomen maten vergeleken met biometrische gegevens uit de broedgebieden. Behalve dat zo een eventuele ondersoort kan worden vastgesteld, geven dergelijke gegevens vaak ook een aanwijzing welk deel van de populatie betrokken was, omdat er binnen een soort vaak regionale verschillen in biometrie bestaan.
Kleine Alken Alle alle zijn dikwijls betrokken bij massastrandingen en invasies. Helaas zijn bij deze soort de uitwendige verschillen tussen volwassen en juveniele vogels onduidelijk. De invasie van 2003 werd benut om 42 exemplaren nader te onderzoeken. Daarnaast werden de dissecties die gedaan werden aan Kleine Alken die sinds 1975 ‘opportunistisch' werden verzameld, gebruikt om een wat grootschaligere analyse te kunnen doen. De vogels uit 2003 werden gebruikt om de patronen op de ondervleugel in detail te bestuderen, vanwege een vermelding in de handboeken dat hier “variabele hoeveelheden witte veertjes” aanwezig zouden zijn. Alle andere exemplaren werden gemeten en zo mogelijk inwendig onderzocht. Bij dissectie werden leeftijd en geslacht bepaald, waardoor achteraf kon worden uitgerekend in hoeverre de verzamelde biometrische gegevens van nut zouden zijn geweest bij het ‘voorspellen' van leeftijd en geslacht.
De standaardmaten die bij Kleine Alken werden genomen waren snavellengte (veerrand tot punt), afstand van neusgat tot snavelpunt, snavelhoogte aan de basis, koplengte, tarsuslengte, vleugellengte en totale massa, inclusief een bepaling van de conditie van de vogels. Bij de analyse van de vogels uit 2003 werden zeven verschillende veergroepen aan de ondervleugel onderzocht en werd de hoeveelheid wit aan de veren gescoord op een schaal van 1 (geheel grijs) - 6 (helderwit). Geheel grijze ondervleugels behaalden zo een score van 7 (7x1); theoretisch zou een score van 42 (7x6) haalbaar moeten zijn. Het bleek dat op grond van een combinatie van de snavelhoogte en de vleugellengte zo'n 83% van de vogels correct op leeftijd zou zijn gebracht. In combinatie met ‘vermagerd gewicht' (vrijwel alle onderzochte vogels hadden volkomen uitgeputte vet- en spierreserves) kon de betrouwbaarheid worden opgevoerd tot 88%. Sommige andere maten konden worden gebruikt om de sexen te scheiden. Twee maten, de afstand tussen neusgat en snavelpunt en de tarsuslengte, gaven noch tussen de sexen, noch tussen de leeftijdsklassen verschillen aan en het nut van deze maten wordt daarom betwijfeld.
Witte veertjes, of veertjes met witte toppen, kwamen relatief vaak voor in de kleine handpendekveren (LPC) van juveniele Kleine Alken, het omgekeerde was het geval bij de grote armpendekveren (GPC) van adulte vogels. De gemiddelde LPC score (± SD) bij juveniele Kleine Alken bedroeg 2.8 ± 1.4, bij adulten 1.9 ± 1.2. De gemiddelde GSC score (± SD) van bij juveniele Kleine Alken bedroeg 1.2 ± 0.6, bij adulten 2.2 ± 1.7. De overlap was aanzienlijk en op basis van een combinatie van deze beide veergroepen kon slechts 74% van de Kleine Alken correct op leeftijd gebracht worden.
Omdat het lichaamsgewicht een ‘moeizame' maat is, omdat er dan toch ook een dissectie (en een compleet kadaver) nodig is om een uitspraak te kunnen doen over de leeftijd op grond van de afmetingen, werd gezocht naar een combinatie van biometrie en ondervleugelpatronen. Helaas was het monster van vogels waarbij zowel de vleugel was onderzocht, als de juiste maten waren genomen maar klein. Evengoed bleek op grond van een combinatie van snavelhoogte, vleugellengte en de aan-/afwezigheid van witte veertjes op LPC en GSC 87% correct op leeftijd gebracht te kunnen worden.
Vervolgens werd gekeken, na een nieuwe analyse van de literatuur, welke afmetingen Kleine Alken in de broedgebieden hadden en in hoeverre Nederlandse vogels daarmee overeenkwamen. Over de biometrie in de gebieden van herkomst, in vergelijking met de gegevens die van gestrande vogels in de Noordzee, waren enkele verwarrende analyses gepubliceerd. Uit de literatuur was een groot verschil bekend tussen de broedvogels van Franz Josef Land ( A.a. polaris ) en de broedvogels van Spitsbergen en Groenland ( A.a. alle ). Gestrande vogels op de Britse eilanden hadden maten opgeleverd die feitelijk inzaten tussen de beide populaties, en gespeculeerd werd al over ‘nog onontdekte broedgebieden' waar dergelijke vogels zouden kunnen broeden. Uit een vergelijking van drie publicaties van dezelfde auteur over de vogels van Spitsbergen, bleek echter dat de gepubliceerde vleugellengtes niet op een vergelijkbare manier waren gemeten. Na correctie (ongeveer 5% langere maten door de vleugel bij het meten goed te strekken) waren de Noordzeevogels al een stuk minder ongewoon, ofschoon nog steeds relatief groot in vergelijking met de op Spitsbergen gemeten individuen. Nederlandse vogels bleken afmetingen te hebben die prima overeenkwamen met broedvogels van de westelijke Barentszee, zals de broedvogels van Bereneiland of Spitsbergen (Fig. 8, Tabel 5). Met nieuwe gegevens uit de broedplaatsen in de hand kon bovendien preciezer worden ingeschat hoeveel lichaamsgewicht de hier gestrande vogels verloren hadden. Uitgaande van een ‘gezond gewicht' van ongeveer 155 gram, hadden de Nederlandse vogels gemiddeld 24.5% van hun lichaamsgewicht verloren.
Bried J. & Bolton M. 2005. An initial estimate of age at first return and breeding in Madeiran Storm-petrels Oceanodroma castro. Atlantic Seabirds 7(2) 71-74
Madeiran Storm-petrel Oceanodroma castro is classified as “Rare” in Europe; however, its population dynamics and its demographic parameters remain unknown. Here, we provide the first estimates of the age at first return to the colony and age at first breeding in this species, using our data from a five-year demographic study conducted in the Azores (subtropical northern Atlantic). On average, Madeiran Storm-petrels return to their birth colony during their third year. They can breed when two years old, and the reproductive performances of first-time breeders are similar to those of experienced individuals.
EERSTE SCHATTING VAN DE LEEFTIJD WAAROP MADEIRASTORMVOGELTJES OCEANODROMA CASTRO VOOR HET EERST NAAR DE KOLONIE TERUGKEREN EN BROEDEN
Madeirastormvogeltje Oceanodroma castro wordt geklassificeerd als “Rare” (zeldzaam) in Europa. De populatiedynamica en demografische parameters van deze soort zijn echter onbekend. Op basis van de gegevens die zijn verzameld tijdens een vijfjarige studie op de Azoren, presenteren we in dit artikel de eerste schattingen van de leeftijd waarop Madeirastormvogeltjes voor het eerst naar de kolonie terugkeren en ze voor het eerst broeden. Madeirastormvogeltjes keren gemiddeld in het derde jaar terug naar de geboortekolonie. Ze kunnen broeden als ze twee jaar oud zijn. Het reproductiesucces van ‘nieuwe’ broedvogels is gelijk aan dat van ervaren broedvogels.
Sanders J.G. & Harris M.P. 2005. The Alderney Northern Gannetries – photographic counts of Ortac and Les Etacs, Channel Islands in 2005. Atlantic Seabirds 7(2): 75-82
Aerial surveys of Northern Gannet Morus bassanus colonies on Ortac and Les Etacs, Channel Islands, in July 2005, found 2547 and 4862 Apparently Occupied Sites respectively. The total population increased at an average rate of 3.3% per annum over the last 55 years. There may now only be limited room for expansion on Ortac where the rate of increase has declined substantially in recent years.
JAN-VAN-GENTENKOLONIES OP ALDERNEY, INVENTARISATIE VAN ORTAC EN LES ETACS, KANAALEILANDEN, IN 2005
Een inventarisatie vanuit de lucht van kolonies van Jan-van-gent Morus bassanus colonies op Ortac en Les Etacs (Kanaaleilanden) in juli 2005, resulteerde in respectievelijk 2547 en 4862 schijnbaar bezette plekken (Apparently Occupied Sites). De totale populatie nam de afgelopen 55 jaar toe met een jaarlijks gemiddelde van 3.3% . Mogelijk is ruimtegebrek op Ortac nu de beperkende factor voor een verdere toename. In deze kolonie is de groeisnelheid de laatste jaren sterk gedaald.
Hjernquist M.B., Hjernquist, M., Hjernquist B. & Thuman Hjernquist, K.A. 2005. Common Guillemots Uria aalge differentiate their niche to coexist with colonizing Great Cormorants Phalacrocorax carbo. Atlantic Seabirds 7(2): 83-89
Colonization of new species into an established community generally results in interspecific competition over resources between the colonist and existing members of the community. Interspecific competition has been suggested to influence extinction rates, population dynamics, community structure, niche differentiation and evolution. In this study, we observe possible interspecific competition over breeding sites resulting in niche differentiation and coexistence of Great Cormorants Phalacrocorax carbo and Common Guillemots Uria aalge in a seabird cliff community. In Sweden, Great Cormorants have naturally increased and expanded during the last two decades. Here, we show that most Common Guillemots previously bred on cliff ledges with high roof heights before the study-island was colonized by Great Cormorants, but are now mainly found breeding on cliff ledges with lower roof heights. A temporary decline in the Common Guillemot population coincided with the colonization event and we discuss the potential for this decline to be caused by increased nest-site competition combined with high nest-site fidelity.
NICHE DIFFERENTIATIE VAN ZEEKOETEN URIA AALGE ALS AANPASSING AAN KOLONISATIE DOOR AALSCHOLVERS PHALACROCORAX CARBO
Kolonisatie door een nieuwe soort resulteert in veel gevallen in competitie om beschikbare bronnen tussen de koloniserende en reeds aanwezige soorten. Competitie tussen soorten wordt gezien als een factor die uitstervingssnelheid, populatie dynamiek, samenstelling van de (broedvogel)gemeenschap, niche differentiatie en evolutie beïnvloedt. We vonden dat competitie tussen Aalscholver Phalacrocorax carbo en de Zeekoet Uria aalge in een zeeklifkolonie om broedplaatsen resulteert in niche differentiatie en coëxistentie. In Zweden is het aantal Aalscholvers de laatste twee decennia op een natuurlijke wijze toegenomen en heeft het verspreidingsgebied zich uitgebreid. We laten zien, dat Zeekoeten voor de expansie van de Aalscholver met name op klifrichels met een hoog ‘dak’ broedden, en dat hun broedplaatsen zich hebben verplaatst naar richels met een lager ‘dak’. De kolonisatie van de Aalscholver valt samen met een tijdelijke afname van het aantal Zeekoeten op de studielocatie. Deze tijdelijke afname zou veroorzaakt kunnen zijn door toegenomen competitie om broedplaatsen in combinatie met en sterke neiging van Zeekoeten om jaarlijks terug te keren naar dezelfde broedplaats.