|
|
ATLANTIC
SEABIRDS Contents and abstracts issue 3(2) |
|
Titels,
abstracts en Nederlandse
samenvattingen
Robinson J.A.,
L.S. Chivers & K.C. Hamer 2001. A
comparison of Arctic Tern Sterna paradisaea
and Common Tern S. hirundo nest-site
characteristics on
The nest-site
characteristics of Common Terns Sterna hirundo and Arctic Terns S. paradisaea were examined at a mixed colony at
EEN VERGELIJKING TUSSEN NESTPLAATSKARAKTERISTIEKEN VAN DE NOORDSE
STERN STERNA PARADISAEA EN HET VISDIEFJE S. HIRUNDO OP COQUET ISLAND, NOORDOOST-ENGELAND De karakteristieken van broedplaatsen van
Noordse Sterns Sterna paradisaea en Visdiefjes Sterna hirundo
werden in 1998 onderzocht en vergeleken in een gemengde kolonie op Coquet Island, aan de
noordoostkust van Engeland. Alle Visdiefjes en de meeste Noordse Sterns
nestelden op plekken met kort gras, omgeven door stroken met een veel hogere,
dichte vegetatie. De meeste nesten werden gevonden in stukken waar het beheer
was afgestemd op het creëren van een aantrekkelijke broedbiotoop voor sterns
door de vegetatie kort te houden. Noordse Sterns hadden
een bredere biotoopkeus dan Visdiefjes: ongeveer een vijfde van alle Noordse
Sterns nestelde op kale zand- en grindstranden. In de
begroeide gebiedjes kwamen de Noordse Sterns hoofdzakelijk op de meest kale
plekken tot broeden, in veel lagere dichtheden dan
Visdieven. Vegetatiehoogte, nestdichtheid en plotgrootte bepaalden het verschil
in nestplaats grotendeels. Geen van beide soorten had een duidelijke voorkeur
voor de plantensoorten in de nabijheid van het nest.
Keijl G.O., A. Brenninkmeijer, F.J. Schepers,
E.W.M. Stienen,
J. Veen & A. Ndiaye 2001. Breeding gulls and
terns in
In May 1998, breeding gulls
and terns were surveyed in National Parcs Langue de Barbarie and in Sine-Saloum
Delta,
BROEDENDE MEEUWEN EN STERNS IN SENEGAL IN 1998, EN VOORSTEL
VOOR NIEUWE POPULATIESCHATTINGEN VAN MEEUWEN EN STERNS IN NOORDWEST-AFRIKA
In 1998 zijn broedende
meeuwen en sterns geteld langs de Senegalese kust.
Het was de eerste volledige telling van alle soorten meeuwen en sterns in
Senegal; in het verleden concentreerden onderzoekers zich meestal vrijwel
geheel op Koningssterns Sterna maxima, of op enkele soorten sterns, en werden
in het gunstigste geval schattingen gegeven van andere soorten. Er zijn twee
belangrijke gebieden met grote kolonies, namelijk Nationaal Park Langue de Barbarie, in het
noorden van het land, en Nationaal Park Sine-Saloum
Delta, juist ten noorden van Gambia. In totaal werden 13.116 paar meeuwen en (ten minste) 31.426 paar sterns geteld (tabel 1). De
belangrijkste soorten waren Dunbekmeeuw Larus genei, Grijskopmeeuw L. cirrocephalus,
Reuzenstern S. caspia en Koningsstern. Kelpmeeuw L. dominicanus, Lachstern Gelochelidon
nilotica, Visdief S. hirundo
en Dwergstern S. albifrons broedden in lage
aantallen. Hoewel het verleidelijk is om de in 1998 getelde aantallen te
vergelijken met die van eerdere tellingen, wordt een directe vergelijking niet
gemaakt omdat van eerdere tellingen vaak onduidelijk is hoe de aantallen tot
stand zijn gekomen. Wel worden de oude populatieschattingen gegeven. Tevens
wordt een voorstel gedaan voor nieuwe schattingen en voor nieuwe 1%-normen
(tabel 2). Dit is mogelijk omdat van alle genoemde soorten vrijwel de gehele
West-Afrikaanse populatie uitsluitend in Senegal en op de Banc
d'Arguin in Mauretanië
broedt. Grijskopmeeuw was met ruim 7500 paar de talrijkste meeuwensoort. De
vorige West-Afrikaanse populatieschatting was 600-700 paar (tabel 3). In Mauretanië broeden enkele tientallen paren, en ook elders langs de gehele West-Afrikaanse kust komen, voor
zover bekend, geen grote kolonies voor. Tot nog toe waren geen tellingen uit
West-Afrika beschikbaar. De nieuwe schatting bedraagt 10.000 paar. Van Dunbekmeeuw werden 5550 paar geteld. In Mauretanië
werden recent bijna 2000 paar geteld. De oude populatieschatting voor
West-Afrika bedroeg 3300 paar, voorstel voor een nieuwe schatting is 7500 paar.
Van Kelpmeeuw werd een nest gevonden met twee jongen en een uitkomend ei. Dit
is het derde broedgeval van deze soort in Senegal en vermoedelijk nog steeds
het enige op het noordelijk halfrond. Van Lachstern
werden slechts acht paar gevonden in zoutpannen bij Kaolack.
Mogelijk was het bezoek iets te vroeg en vestigden zich later in het seizoen
nog nieuwe paren, want er werd een groter aantal adulte vogels gezien. De
grootste aantallen broeden in Mauretanië; recent
werden daar bijna 700 paar geteld. In het verleden werden in het noorden van
Senegal 200-300 paar geteld, maar hier is geen recente informatie over. De oude
populatieschatting bedroeg 2000 paar, de nieuwe 800. Van Reuzenstern vonden wij
in 1998 ten minste 8600 paar, vrijwel alle op Ile aux Oiseaux.
In de Langue de Barbarie
was het broedseizoen al voorbij en werden slechts enkele vliegvlugge jongen
gezien. Op de Banc d'Arguin
broedde recent ten minste 4000 paar, terwijl ten zuiden van het in 1998
bezochte gebied recent ruim 2000 paar zijn geteld. De
populatieschatting van 4000 paar voor Noordwest-Afrika
dient daarom eveneens te worden bijgesteld. De nieuwe schatting bedraagt 13.500
paar. Van Visdief werden 70 paar geteld, maar een exacte telling was moeilijk,
omdat in een kolonie juist voor ons bezoek alle eieren door vissers geraapt
waren. In een andere kolonie zaten de Visdieven verspreid langs de rand van de
meeuwenkolonie. Om predatie van meeuwen tot een minimum te beperken werd daarom
een snelle, globale telling gehouden. In Mauretanië
broedden in de jaren 70 nog 200 paar, maar uit de jaren daarna zijn ons geen
aantallen bekend. Voorheen werd de totale West-Afrikaanse populatie geschat op
400 paar. Onze schatting bedraagt 200 paar. Van Dwergstern werden geen
broedende vogels aangetroffen, maar bewakers in Nationaal Park Langue de Barbarie melden dat
daar jaarlijks 35 paar tot broeden komen, zij het iets later in het seizoen. In
het naburige park Guembeul broeden jaarlijks 35-50
paar. In Mauretanië broedden in de jaren 70 25-50
paar, maar uit later jaren zijn ons geen getallen bekend. De soort is notoir
moeilijk te tellen, omdat zich vaak solitaire paren in afgelegen gebieden
vestigen. Er is nooit een schatting voor de Noordwest-Afrikaanse
populatie gemaakt. Wij menen deze voorzichtig te kunnen schatten op 100 paar.
Van Koningsstern telden wij in 1998 bijna 23.000 paar, waarvan meer dan 21.000
in een kolonie op Ile aux Oiseaux. Tellingen van de Banc d'Arguin wijzen uit dat de aantallen jaarlijks enorm kunnen
fluctueren. De oude populatieschatting voor West-Afrika bedroeg 17.000 paar,
maar wij schatten de huidige populatie op 43.000 paar. Behalve bovengenoemde
soorten zijn in het verleden mogelijke of zekere
broedgevallen vastgesteld van Kokmeeuw L. ridibundus,
Lachmeeuw L. atricilla, Franklin's
Meeuw L. pipixcan, Bonte Stern S. fuscata
en Brilstern S. anaethetus. Deze laatste soort
broedde in het verleden in Spaanse Sahara en op Annobon
in de Golf van Guinée. Na de jaren 1960 is geen
informatie over de eerste broedlocatie, maar de broedvogels op de tweede zijn
mogelijk verdwenen. De populatie in Mauretanië is derhalve de laatste in het Oost-Atlantische
gebied. De oude schatting voor de populatie bedroeg 1500 paar, maar een recente
schatting van de Mauretaanse broedvogels kwam niet
verder dan 100 paar. Het lijkt alsof de aantallen meeuwen en sterns in West-Afrika
zijn toegenomen. Een mogelijke verklaring hiervoor zou de sterk toegenomen
visserij kunnen zijn. Op de Banc d'Arguin
lijken de aantallen echter eerder af- dan toegenomen
te zijn. Van Senegal weten we alleen zeker dat de Aalscholvers Phalacrocorax carbo lucidus op Ile de la Madeleine zijn toegenomen; van alle overige viseters
(aalscholvers, Roodsnavelkeerkringvogel Phaethon aethereus, pelikanen,
reigers, ooievaars, Afrikaanse Visarend Haliaeetus vocifer en ijsvogels) zijn geen populatietrends bekend. Een
reeks van andere bedreigingen wordt genoemd, waaronder eierrapers,
invoer van grond-predatoren, biotoopvernietiging en
jacht. Zowel Mauretanië als Senegal hebben een belangrijke verantwoordelijkheid voor de
bescherming van deze vogels en hun biotopen.
Gillon K.W., R.W. White & A.D. Black 2001. Grey-backed Storm-petrels Garrodia nereis and
other seabirds associating with free-floating kelp. Atlantic Seabirds
3(2): 75-84.
During systematic surveys
of seabirds and marine mammals at sea around the
Grijsrugstormvogeltjes Garrodia nereis
en andere zeevogels geassocieerd met vrij drijvend zeewier Van februari 1998 t/m januari 2000 werden
systematische inventarisaties van zeevogels en zeezoogdieren in de zeewateren rond de Falklands
uitgevoerd, Tijdens deze tellingen werden o.a. 22 soorten zeevogels (2567
exemplaren) geregistreerd die geassocieerd waren met vrij drijvende
zeewiervelden. Grijsrugstormvogeltje Garrodia nereis,
Kleine Jager Stercorarius parasiticus,
Kleinste Jager S. longicaudus en Rosse
Franjepoot Phalaropus fulicarius
waren de enige soorten waarvan meer dan 10% van alle exemplaren met
zeewiervelden was geassocieerd (tabel 1). Ongeveer de helft van deze vogels zat
op of naast het zeewier. Van alle soorten was het Grijsrugstormvogeltje
de enige soort waarvan een belangrijk deel van het totaal
aantal vogels (ca 35%) vrij drijvend zeewier als voedselbron leek te gebruiken
(tabel 2). Het was echter niet mogelijk het bemachtigde voedsel te
determineren, maar literatuuronderzoek suggereert dat het voedsel bestond uit
de eendenmossel Lepas australis.
De significante correlatie tussen de dichtheid Grijsrugstormvogeltjes
en de dichtheid vrij drijvende zeewiervelden wijst er op dat Grijsrugstormvogeltje in de wateren rond de Falklands gespecialiseerd is in
het benutten van een voedselbron die grotendeels door andere soorten genegeerd
wordt.
Short notes
Wilhelm S.I., Walsh C.J., Stenhouse I.J. & Storey A.E. 2001. A
possible Common Guillemot Uria aalge x Razorbill Alca
torda hybrid. Atlantic Seabirds
3(2): 85-88.
Between 1996 and 2000, a
probable Common Guillemot Uria aalge x Razorbill Alca
torda hybrid was observed periodically among
breeding Common Guillemots on
EEN VERMOEDELIJKE KRUISING TUSSEN DE ZEEKOET URIA AALGE EN
DE ALK ALCA TORDA Op
grond van het mitochondriale DNA wordt de Alk Alca torda tot de
familie van de Alcidae gerekend, net als de
Zeekoet Uria aalge
en de Dikbekzeekoet Uria
lomvia. Genetische analyse suggereert dat Alken en
zeekoeten van een gemeenschappelijke voorouder afstammen, waarna de zeekoeten
verder differentieerden in twee soorten. Ofschoon beide groepen oppervlakkig
bezien zowel wat betreft uiterlijk, als broedbiologie vele overeenkomsten
vertonen, bestond er tot dusverre slechts één bekend geval van hybridisatie.
Het voorkomen van kruisingen is het meest waarschijnlijk op plaatsen waar twee
soorten in hun verspreiding overlappen. In het Noord-Atlantische gebied
overlappen Dikbekzeekoet (hoog arctische streken) en
Zeekoet (boreaal en laag arctische streken) weinig in hun verspreiding, maar de
broedgebieden van Alken en Zeekoeten overlappen grotendeels. In de
gemeenschappelijke broedgebieden bezetten beide soorten duidelijk verschillende
habitats, maar toch komen op veel plaatsen
broedvogels van beide soorten vlakbij elkaar voor. Sociale interacties tussen
beide soorten zijn recent gedocumenteerd. Op Great Island (Newfoundland) werd
bijvoorbeeld een mannelijke Alk gezien die duidelijk geïnteresseerd was in een
Zeekoet, waarmee het zelfs enkele keren probeerde te copuleren. Hybridisatie
tussen Alk en Zeekoet lijkt aannemelijk. Tussen 1996 en 2000 werd in Witless Bay (Great
Island, 47°11'N, 53°49'W) af en toe een niet te
identificeren alkachtige (een daadwerkelijke alk/zeekoet) gezien. De combinatie
van uiterlijke kenmerken deed de waarnemers geloven dat het hier om een
kruising tussen de Alk en de Zeekoet ging. Vorm en grootte waren die van een
normale Zeekoet, maar het dier had een korte en opvallend hoge snavel, dikker
en korter nog dan die van een Dikbekzeekoet, maar
niet zo smal en hoog als die van een Alk (Fig. 1). De bovendelen waren
duidelijk donkerder dan die van de omringende Zeekoeten, de armpennen hadden
een smallere witte punt (karakteristiek voor de Alk) en het dier had een witte
kin. In vergelijking met 'normale' Zeekoeten leek de nek korter en dikker. De
vogel keerde elk jaar op dezelfde plaats terug en verbleef dan vlakbij het
territorium van een Alk op dezelfde richel. Het was kennelijk een mannetje,
getuige enkele pogingen van het dier om met een Zeekoet te copuleren.
Vangpogingen (en daarmee een check van het DNA) zijn tot dusverre mislukt. In
augustus 2000 werd een vergelijkbare vogel gezien in de kolonie van Cape St Mary's, ongeveer 100 km verder
naar het zuidwesten. Dit betreft misschien dezelfde vogel en anders een tweede
geval van (vermoedelijke) hybridisatie.
Harris M.P. & Wanless S. 2001. Razorbills Alca torda successfully rearing young Common Guillemots Uria aalge. Atlantic
Seabirds 3(2): 89-93.
Two cases of Razorbills Alca torda successfully raising young Common Guillemots Uria aalge to departure from the colony are documented. Both cases apparently
resulted from inter-species competition for nest-sites.
ALKEN ALCA TORDA BRENGEN MET SUCCES KUIKENS VAN ZEEKOETEN URIA
AALGE GROOT Tussen
1984 en 2000 werden op Isle of May
(Firth of Forth, ZO-Schotland) in het broedseizoen dagelijks waarnemingen
verricht op vijf vaste studieplots in de broedkolonies van Alken Alca torda en
Zeekoeten Uria aalge. De
waarnemingen werden verricht vanaf het moment voor het eerste ei werd gelegd
tot op het moment dat het laatste jong de kolonie verlaten had. De
studiegebieden werden (op foto's) precies afgebakend, regelmatig gefotografeerd
en vanuit permanente schuilhutjes bestudeerd om verstoring zoveel mogelijk
tegen te gaan. De meeste Alken broeden tussen gevallen rotsen en in rotsspleten
aan de randen van dichtbezette Zeekoetenkolonies. Het aantal broedvogels nam
toe van 72 paar in 1984 tot 149 paar in 2000, met name
door het bezetten van nieuwe broedplaatsen op 8-10 m afstand van de
traditionele koloniegedeelten. Het aantal Zeekoeten nam langzamer toe, van 454
paar in 1984 tot 643 paar in 2000, met name door een
geleidelijke uitbreiding van de drukst bezette klifrichels. Deze Zeekoeten raakten daardoor geleidelijk aan steeds nadrukkelijker met
Alken in conflict over de beschikbare ruimte. In totaal waren 258 broedplaatsen
door Alken bezet en 829 door Zeekoeten, daarvan werden 31 locaties door beide
soorten gebruikt. In 27 gevallen (87%) ging het daarbij om broedplaatsen die
aanvankelijk door Alken, maar later door Zeekoeten werden benut, hetgeen de indruk ondersteunde dat Zeekoeten Alken van
geschikte plekken verdreven. Op één zo'n locatie
werden in 1993 en 1994 gevechten tussen beide soorten waargenomen om een plek
waar Alken sinds 1989 succesvol hadden gebroed. Eenmaal verloren de Alken hun
ei, maar behielden zij de broedplaats. Ondanks frequente burenruzies met
opdringende Zeekoeten legden de Alken in 1995 op 11 mei een ei, dat ze begonnen
te bebroeden. Op 16 mei legde een Zeekoet een ei vlak naast dat van de Alken,
waarna felle gevechten uitbraken. In de strijd ging het ei van de Alken
verloren, maar rolde het ei van de Zeekoeten dichter naar de broedplaats van de
Alken toe. De Alken confisqueerden dat ei, bebroedden het de 'voorgeschreven'
periode van 33 dagen en het kwam uit op 18 juni. De Alken brachten
het jong met succes groot en vertrokken op 7 juli met het kuiken naar zee.
Alken wisten in 1996 met succes op dezelfde locatie te broeden, maar sindsdien
is de broedplaats door Zeekoeten bezet. In 1993 werd al vastgesteld dat een
paar Alken een Zeekoetenjong had grootgebracht, maar omdat dit buiten de
studiegebieden plaatsvond bestaan daarover weinig concrete gegevens. Van vier
gevallen waarin eieren van Zeekoeten op de broedplaatsen van Alken
terechtkwamen is bekend dat de Alken ze negeerden. Er is geen geval van het
omgekeerde bekend (een Alkenei op de Zeekoetenrichel). Aan het begin van elk
broedseizoen is er ook intensieve competitie om nestgelegenheid tussen Alken en
Drieteenmeeuwen. De auteurs stelden in drie gevallen vast dat Alken een ei in
het nest van een Drieteenmeeuw legden, waarna het ei door laatstgenoemde soort
werd opgeëist. Twee van die eieren verdwenen spoorloos, maar het derde ei werd eerst
gedurende drie weken door de meeuwen bebroed.