ATLANTIC SEABIRDS

Contents and abstracts issue 3(2)
published August 2001

 

Titels, abstracts en Nederlandse samenvattingen

 

Robinson J.A., L.S. Chivers & K.C. Hamer 2001. A comparison of Arctic Tern Sterna paradisaea and Common Tern S. hirundo nest-site characteristics on Coquet Island, northeast England. Atlantic Seabirds 3(2): 49-58.

The nest-site characteristics of Common Terns Sterna hirundo and Arctic Terns S. paradisaea were examined at a mixed colony at Coquet Island, northeast England. All Common Terns and the majority of Arctic Terns nested within areas of short grass enclosed by swards of much taller and dense vegetation. The majority of these nesting areas had been artificially managed to attract nesting terns. A fifth of all Arctic Tern pairs nested on sandy and shingle beaches. Within vegetated nesting areas, Arctic Terns nested less densely, in larger open areas and in shorter vegetation than did Common Terns. Neither species showed preferences for the types of plants amongst which to nest.

EEN VERGELIJKING TUSSEN NESTPLAATSKARAKTERISTIEKEN VAN DE NOORDSE STERN STERNA PARADISAEA EN HET VISDIEFJE S. HIRUNDO OP COQUET ISLAND, NOORDOOST-ENGELAND De karakteristieken van broedplaatsen van Noordse Sterns Sterna paradisaea en Visdiefjes Sterna hirundo werden in 1998 onderzocht en vergeleken in een gemengde kolonie op Coquet Island, aan de noordoostkust van Engeland. Alle Visdiefjes en de meeste Noordse Sterns nestelden op plekken met kort gras, omgeven door stroken met een veel hogere, dichte vegetatie. De meeste nesten werden gevonden in stukken waar het beheer was afgestemd op het creëren van een aantrekkelijke broedbiotoop voor sterns door de vegetatie kort te houden. Noordse Sterns hadden een bredere biotoopkeus dan Visdiefjes: ongeveer een vijfde van alle Noordse Sterns nestelde op kale zand- en grindstranden. In de begroeide gebiedjes kwamen de Noordse Sterns hoofdzakelijk op de meest kale plekken tot broeden, in veel lagere dichtheden dan Visdieven. Vegetatiehoogte, nestdichtheid en plotgrootte bepaalden het verschil in nestplaats grotendeels. Geen van beide soorten had een duidelijke voorkeur voor de plantensoorten in de nabijheid van het nest.

Keijl G.O., A. Brenninkmeijer, F.J. Schepers, E.W.M. Stienen, J. Veen & A. Ndiaye 2001. Breeding gulls and terns in Senegal in 1998, and proposal for new population estimates of gulls and terns in Northwest-Africa. Atlantic Seabirds 3(2): 59-74.

In May 1998, breeding gulls and terns were surveyed in National Parcs Langue de Barbarie and in Sine-Saloum Delta, Senegal. This was the first near-complete census of breeding gulls and terns in this Senegal. The most numerous breeding species were Grey-headed Gulls Larus cirrocephalus (7565 pairs), Slender-billed Gulls L. genei (5550p), Royal Terns Sterna maxima (22 693p) and Caspian Terns S. caspia (>8620p) while Common Terns Sterna hirundo (70p) and Gull-billed Terns Gelochelidon nilotica (8p) occurred in low numbers. The first four species were more numerous than expected from published accounts, the latter two were occurred in smaller numbers than expected. Little Tern Sterna albifrons (35p) and Kelp Gull Larus dominicanus (1p) also breed in low numbers. The species are discussed, and a literature review of numbers breeding in the past is presented. Because Senegal, together with the Banc d'Arguin in Mauritania, are most important areas for breeding gulls and terns in West-Africa, and while recent counts are now available from both areas, new population estimates are given and new 1%-levels proposed. There are several threats to the breeding birds, among which egg-collecting and overfishing, and the need for a proper protection is outlined. Both the islands along the Senegalese coast and the Banc d'Arguin in Mauritania are of major importance for the west-African subspecies of Royal Terns, of which almost the entire population breeds in Senegal and Mauretania. Mauritania is of great significance for the East-Atlantic population of Bridled Terns Sterna anaethetus, a separate subspecies. This population may nowadays hold as little as 100 pairs, but recent counts are not available.

BROEDENDE MEEUWEN EN STERNS IN SENEGAL IN 1998, EN VOORSTEL VOOR NIEUWE POPULATIESCHATTINGEN VAN MEEUWEN EN STERNS IN NOORDWEST-AFRIKA In 1998 zijn broedende meeuwen en sterns geteld langs de Senegalese kust. Het was de eerste volledige telling van alle soorten meeuwen en sterns in Senegal; in het verleden concentreerden onderzoekers zich meestal vrijwel geheel op Koningssterns Sterna maxima, of op enkele soorten sterns, en werden in het gunstigste geval schattingen gegeven van andere soorten. Er zijn twee belangrijke gebieden met grote kolonies, namelijk Nationaal Park Langue de Barbarie, in het noorden van het land, en Nationaal Park Sine-Saloum Delta, juist ten noorden van Gambia. In totaal werden 13.116 paar meeuwen en (ten minste) 31.426 paar sterns geteld (tabel 1). De belangrijkste soorten waren Dunbekmeeuw Larus genei, Grijskopmeeuw L. cirrocephalus, Reuzenstern S. caspia en Koningsstern. Kelpmeeuw L. dominicanus, Lachstern Gelochelidon nilotica, Visdief S. hirundo en Dwergstern S. albifrons broedden in lage aantallen. Hoewel het verleidelijk is om de in 1998 getelde aantallen te vergelijken met die van eerdere tellingen, wordt een directe vergelijking niet gemaakt omdat van eerdere tellingen vaak onduidelijk is hoe de aantallen tot stand zijn gekomen. Wel worden de oude populatieschattingen gegeven. Tevens wordt een voorstel gedaan voor nieuwe schattingen en voor nieuwe 1%-normen (tabel 2). Dit is mogelijk omdat van alle genoemde soorten vrijwel de gehele West-Afrikaanse populatie uitsluitend in Senegal en op de Banc d'Arguin in Mauretanië broedt. Grijskopmeeuw was met ruim 7500 paar de talrijkste meeuwensoort. De vorige West-Afrikaanse populatieschatting was 600-700 paar (tabel 3). In Mauretanië broeden enkele tientallen paren, en ook elders langs de gehele West-Afrikaanse kust komen, voor zover bekend, geen grote kolonies voor. Tot nog toe waren geen tellingen uit West-Afrika beschikbaar. De nieuwe schatting bedraagt 10.000 paar. Van Dunbekmeeuw werden 5550 paar geteld. In Mauretanië werden recent bijna 2000 paar geteld. De oude populatieschatting voor West-Afrika bedroeg 3300 paar, voorstel voor een nieuwe schatting is 7500 paar. Van Kelpmeeuw werd een nest gevonden met twee jongen en een uitkomend ei. Dit is het derde broedgeval van deze soort in Senegal en vermoedelijk nog steeds het enige op het noordelijk halfrond. Van Lachstern werden slechts acht paar gevonden in zoutpannen bij Kaolack. Mogelijk was het bezoek iets te vroeg en vestigden zich later in het seizoen nog nieuwe paren, want er werd een groter aantal adulte vogels gezien. De grootste aantallen broeden in Mauretanië; recent werden daar bijna 700 paar geteld. In het verleden werden in het noorden van Senegal 200-300 paar geteld, maar hier is geen recente informatie over. De oude populatieschatting bedroeg 2000 paar, de nieuwe 800. Van Reuzenstern vonden wij in 1998 ten minste 8600 paar, vrijwel alle op Ile aux Oiseaux. In de Langue de Barbarie was het broedseizoen al voorbij en werden slechts enkele vliegvlugge jongen gezien. Op de Banc d'Arguin broedde recent ten minste 4000 paar, terwijl ten zuiden van het in 1998 bezochte gebied recent ruim 2000 paar zijn geteld. De populatieschatting van 4000 paar voor Noordwest-Afrika dient daarom eveneens te worden bijgesteld. De nieuwe schatting bedraagt 13.500 paar. Van Visdief werden 70 paar geteld, maar een exacte telling was moeilijk, omdat in een kolonie juist voor ons bezoek alle eieren door vissers geraapt waren. In een andere kolonie zaten de Visdieven verspreid langs de rand van de meeuwenkolonie. Om predatie van meeuwen tot een minimum te beperken werd daarom een snelle, globale telling gehouden. In Mauretanië broedden in de jaren 70 nog 200 paar, maar uit de jaren daarna zijn ons geen aantallen bekend. Voorheen werd de totale West-Afrikaanse populatie geschat op 400 paar. Onze schatting bedraagt 200 paar. Van Dwergstern werden geen broedende vogels aangetroffen, maar bewakers in Nationaal Park Langue de Barbarie melden dat daar jaarlijks 35 paar tot broeden komen, zij het iets later in het seizoen. In het naburige park Guembeul broeden jaarlijks 35-50 paar. In Mauretanië broedden in de jaren 70 25-50 paar, maar uit later jaren zijn ons geen getallen bekend. De soort is notoir moeilijk te tellen, omdat zich vaak solitaire paren in afgelegen gebieden vestigen. Er is nooit een schatting voor de Noordwest-Afrikaanse populatie gemaakt. Wij menen deze voorzichtig te kunnen schatten op 100 paar. Van Koningsstern telden wij in 1998 bijna 23.000 paar, waarvan meer dan 21.000 in een kolonie op Ile aux Oiseaux. Tellingen van de Banc d'Arguin wijzen uit dat de aantallen jaarlijks enorm kunnen fluctueren. De oude populatieschatting voor West-Afrika bedroeg 17.000 paar, maar wij schatten de huidige populatie op 43.000 paar. Behalve bovengenoemde soorten zijn in het verleden mogelijke of zekere broedgevallen vastgesteld van Kokmeeuw L. ridibundus, Lachmeeuw L. atricilla, Franklin's Meeuw L. pipixcan, Bonte Stern S. fuscata en Brilstern S. anaethetus. Deze laatste soort broedde in het verleden in Spaanse Sahara en op Annobon in de Golf van Guinée. Na de jaren 1960 is geen informatie over de eerste broedlocatie, maar de broedvogels op de tweede zijn mogelijk verdwenen. De populatie in Mauretanië is derhalve de laatste in het Oost-Atlantische gebied. De oude schatting voor de populatie bedroeg 1500 paar, maar een recente schatting van de Mauretaanse broedvogels kwam niet verder dan 100 paar. Het lijkt alsof de aantallen meeuwen en sterns in West-Afrika zijn toegenomen. Een mogelijke verklaring hiervoor zou de sterk toegenomen visserij kunnen zijn. Op de Banc d'Arguin lijken de aantallen echter eerder af- dan toegenomen te zijn. Van Senegal weten we alleen zeker dat de Aalscholvers Phalacrocorax carbo lucidus op Ile de la Madeleine zijn toegenomen; van alle overige viseters (aalscholvers, Roodsnavelkeerkringvogel Phaethon aethereus, pelikanen, reigers, ooievaars, Afrikaanse Visarend Haliaeetus vocifer en ijsvogels) zijn geen populatietrends bekend. Een reeks van andere bedreigingen wordt genoemd, waaronder eierrapers, invoer van grond-predatoren, biotoopvernietiging en jacht. Zowel Mauretanië als Senegal hebben een belangrijke verantwoordelijkheid voor de bescherming van deze vogels en hun biotopen.

Gillon K.W., R.W. White & A.D. Black 2001. Grey-backed Storm-petrels Garrodia nereis and other seabirds associating with free-floating kelp. Atlantic Seabirds 3(2): 75-84.

During systematic surveys of seabirds and marine mammals at sea around the Falkland Islands, 22 species of seabird were recorded associating with free-floating patches of kelp. Of these, Grey-backed Storm-petrel was the only species where a significant proportion of the total number of birds recorded appeared to utilise free-floating kelp patches as a source of food. At no time was it possible to identify the food being taken but evidence from the literature would suggest that the prey items were the barnacle Lepas australis. A significant correlation between the density of free-floating kelp patches and the density of Grey-backed Storm-petrels indicates that Grey-backed Storm-petrels specialise in exploiting a food source largely neglected by other seabirds in Falkland Islands waters.

Grijsrugstormvogeltjes Garrodia nereis en andere zeevogels geassocieerd met vrij drijvend zeewier Van februari 1998 t/m januari 2000 werden systematische inventarisaties van zeevogels en zeezoogdieren in de zeewateren rond de Falklands uitgevoerd, Tijdens deze tellingen werden o.a. 22 soorten zeevogels (2567 exemplaren) geregistreerd die geassocieerd waren met vrij drijvende zeewiervelden. Grijsrugstormvogeltje Garrodia nereis, Kleine Jager Stercorarius parasiticus, Kleinste Jager S. longicaudus en Rosse Franjepoot Phalaropus fulicarius waren de enige soorten waarvan meer dan 10% van alle exemplaren met zeewiervelden was geassocieerd (tabel 1). Ongeveer de helft van deze vogels zat op of naast het zeewier. Van alle soorten was het Grijsrugstormvogeltje de enige soort waarvan een belangrijk deel van het totaal aantal vogels (ca 35%) vrij drijvend zeewier als voedselbron leek te gebruiken (tabel 2). Het was echter niet mogelijk het bemachtigde voedsel te determineren, maar literatuuronderzoek suggereert dat het voedsel bestond uit de eendenmossel Lepas australis. De significante correlatie tussen de dichtheid Grijsrugstormvogeltjes en de dichtheid vrij drijvende zeewiervelden wijst er op dat Grijsrugstormvogeltje in de wateren rond de Falklands gespecialiseerd is in het benutten van een voedselbron die grotendeels door andere soorten genegeerd wordt. 

Short notes

Wilhelm S.I., Walsh C.J., Stenhouse I.J. & Storey A.E. 2001. A possible Common Guillemot Uria aalge x Razorbill Alca torda hybrid. Atlantic Seabirds 3(2): 85-88.

Between 1996 and 2000, a probable Common Guillemot Uria aalge x Razorbill Alca torda hybrid was observed periodically among breeding Common Guillemots on Great Island, Newfoundland, Canada. Although the overall body shape and size of this individual were comparable to those of a Common Guillemot, it possessed traits that appeared intermediate between the Common Guillemot and the Razorbill. We suggest that hybridisation between these two auks may occur, albeit rarely, as a consequence of their extensive overlap in breeding range and close proximity within breeding colonies.

EEN VERMOEDELIJKE KRUISING TUSSEN DE ZEEKOET URIA AALGE EN DE ALK ALCA TORDA Op grond van het mitochondriale DNA wordt de Alk Alca torda tot de familie van de Alcidae gerekend, net als de Zeekoet Uria aalge en de Dikbekzeekoet Uria lomvia. Genetische analyse suggereert dat Alken en zeekoeten van een gemeenschappelijke voorouder afstammen, waarna de zeekoeten verder differentieerden in twee soorten. Ofschoon beide groepen oppervlakkig bezien zowel wat betreft uiterlijk, als broedbiologie vele overeenkomsten vertonen, bestond er tot dusverre slechts één bekend geval van hybridisatie. Het voorkomen van kruisingen is het meest waarschijnlijk op plaatsen waar twee soorten in hun verspreiding overlappen. In het Noord-Atlantische gebied overlappen Dikbekzeekoet (hoog arctische streken) en Zeekoet (boreaal en laag arctische streken) weinig in hun verspreiding, maar de broedgebieden van Alken en Zeekoeten overlappen grotendeels. In de gemeenschappelijke broedgebieden bezetten beide soorten duidelijk verschillende habitats, maar toch komen op veel plaatsen broedvogels van beide soorten vlakbij elkaar voor. Sociale interacties tussen beide soorten zijn recent gedocumenteerd. Op Great Island (Newfoundland) werd bijvoorbeeld een mannelijke Alk gezien die duidelijk geïnteresseerd was in een Zeekoet, waarmee het zelfs enkele keren probeerde te copuleren. Hybridisatie tussen Alk en Zeekoet lijkt aannemelijk. Tussen 1996 en 2000 werd in Witless Bay (Great Island, 47°11'N, 53°49'W) af en toe een niet te identificeren alkachtige (een daadwerkelijke alk/zeekoet) gezien. De combinatie van uiterlijke kenmerken deed de waarnemers geloven dat het hier om een kruising tussen de Alk en de Zeekoet ging. Vorm en grootte waren die van een normale Zeekoet, maar het dier had een korte en opvallend hoge snavel, dikker en korter nog dan die van een Dikbekzeekoet, maar niet zo smal en hoog als die van een Alk (Fig. 1). De bovendelen waren duidelijk donkerder dan die van de omringende Zeekoeten, de armpennen hadden een smallere witte punt (karakteristiek voor de Alk) en het dier had een witte kin. In vergelijking met 'normale' Zeekoeten leek de nek korter en dikker. De vogel keerde elk jaar op dezelfde plaats terug en verbleef dan vlakbij het territorium van een Alk op dezelfde richel. Het was kennelijk een mannetje, getuige enkele pogingen van het dier om met een Zeekoet te copuleren. Vangpogingen (en daarmee een check van het DNA) zijn tot dusverre mislukt. In augustus 2000 werd een vergelijkbare vogel gezien in de kolonie van Cape St Mary's, ongeveer 100 km verder naar het zuidwesten. Dit betreft misschien dezelfde vogel en anders een tweede geval van (vermoedelijke) hybridisatie.

Harris M.P. & Wanless S. 2001. Razorbills Alca torda successfully rearing young Common Guillemots Uria aalge. Atlantic Seabirds 3(2): 89-93.

Two cases of Razorbills Alca torda successfully raising young Common Guillemots Uria aalge to departure from the colony are documented. Both cases apparently resulted from inter-species competition for nest-sites.

ALKEN ALCA TORDA BRENGEN MET SUCCES KUIKENS VAN ZEEKOETEN URIA AALGE GROOT Tussen 1984 en 2000 werden op Isle of May (Firth of Forth, ZO-Schotland) in het broedseizoen dagelijks waarnemingen verricht op vijf vaste studieplots in de broedkolonies van Alken Alca torda en Zeekoeten Uria aalge. De waarnemingen werden verricht vanaf het moment voor het eerste ei werd gelegd tot op het moment dat het laatste jong de kolonie verlaten had. De studiegebieden werden (op foto's) precies afgebakend, regelmatig gefotografeerd en vanuit permanente schuilhutjes bestudeerd om verstoring zoveel mogelijk tegen te gaan. De meeste Alken broeden tussen gevallen rotsen en in rotsspleten aan de randen van dichtbezette Zeekoetenkolonies. Het aantal broedvogels nam toe van 72 paar in 1984 tot 149 paar in 2000, met name door het bezetten van nieuwe broedplaatsen op 8-10 m afstand van de traditionele koloniegedeelten. Het aantal Zeekoeten nam langzamer toe, van 454 paar in 1984 tot 643 paar in 2000, met name door een geleidelijke uitbreiding van de drukst bezette klifrichels. Deze Zeekoeten raakten daardoor geleidelijk aan steeds nadrukkelijker met Alken in conflict over de beschikbare ruimte. In totaal waren 258 broedplaatsen door Alken bezet en 829 door Zeekoeten, daarvan werden 31 locaties door beide soorten gebruikt. In 27 gevallen (87%) ging het daarbij om broedplaatsen die aanvankelijk door Alken, maar later door Zeekoeten werden benut, hetgeen de indruk ondersteunde dat Zeekoeten Alken van geschikte plekken verdreven. Op één zo'n locatie werden in 1993 en 1994 gevechten tussen beide soorten waargenomen om een plek waar Alken sinds 1989 succesvol hadden gebroed. Eenmaal verloren de Alken hun ei, maar behielden zij de broedplaats. Ondanks frequente burenruzies met opdringende Zeekoeten legden de Alken in 1995 op 11 mei een ei, dat ze begonnen te bebroeden. Op 16 mei legde een Zeekoet een ei vlak naast dat van de Alken, waarna felle gevechten uitbraken. In de strijd ging het ei van de Alken verloren, maar rolde het ei van de Zeekoeten dichter naar de broedplaats van de Alken toe. De Alken confisqueerden dat ei, bebroedden het de 'voorgeschreven' periode van 33 dagen en het kwam uit op 18 juni. De Alken brachten het jong met succes groot en vertrokken op 7 juli met het kuiken naar zee. Alken wisten in 1996 met succes op dezelfde locatie te broeden, maar sindsdien is de broedplaats door Zeekoeten bezet. In 1993 werd al vastgesteld dat een paar Alken een Zeekoetenjong had grootgebracht, maar omdat dit buiten de studiegebieden plaatsvond bestaan daarover weinig concrete gegevens. Van vier gevallen waarin eieren van Zeekoeten op de broedplaatsen van Alken terechtkwamen is bekend dat de Alken ze negeerden. Er is geen geval van het omgekeerde bekend (een Alkenei op de Zeekoetenrichel). Aan het begin van elk broedseizoen is er ook intensieve competitie om nestgelegenheid tussen Alken en Drieteenmeeuwen. De auteurs stelden in drie gevallen vast dat Alken een ei in het nest van een Drieteenmeeuw legden, waarna het ei door laatstgenoemde soort werd opgeëist. Twee van die eieren verdwenen spoorloos, maar het derde ei werd eerst gedurende drie weken door de meeuwen bebroed.